In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot toepassing van een dwangakkoord, ingediend door de verzoeker, die te maken heeft met een aanzienlijke schuldenlast van € 115.551,10. De verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarbij hij 3,18% aan de preferente schuldeisers en 1,59% aan de concurrente schuldeisers heeft aangeboden tegen finale kwijting. Van de zestien schuldeisers hebben vijftien schuldeisers ingestemd met de regeling, maar ING Bank N.V., die 70,3% van de totale schuldenlast vertegenwoordigt, heeft geweigerd in te stemmen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aangeboden regeling goed gedocumenteerd is en dat de verzoeker zich heeft ingespannen om zijn schulden te voldoen. De rechtbank heeft ook opgemerkt dat de verzoeker in budgetbeheer zit en dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat de belangen van de verzoeker en de overige schuldeisers die hebben ingestemd met de regeling zwaarder wegen dan die van ING. Daarom heeft de rechtbank ING bevolen in te stemmen met de schuldregeling en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. De kosten van de procedure zijn begroot op nihil, aangezien verzoeker niet door een advocaat is bijgestaan.