ECLI:NL:RBROT:2025:13878

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
30 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1314 en FT RK 25/1315
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een dwangakkoord in een faillissementsprocedure met meerdere schuldeisers

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot toepassing van een dwangakkoord, ingediend door de verzoeker, die te maken heeft met een aanzienlijke schuldenlast van € 115.551,10. De verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarbij hij 3,18% aan de preferente schuldeisers en 1,59% aan de concurrente schuldeisers heeft aangeboden tegen finale kwijting. Van de zestien schuldeisers hebben vijftien schuldeisers ingestemd met de regeling, maar ING Bank N.V., die 70,3% van de totale schuldenlast vertegenwoordigt, heeft geweigerd in te stemmen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aangeboden regeling goed gedocumenteerd is en dat de verzoeker zich heeft ingespannen om zijn schulden te voldoen. De rechtbank heeft ook opgemerkt dat de verzoeker in budgetbeheer zit en dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat de belangen van de verzoeker en de overige schuldeisers die hebben ingestemd met de regeling zwaarder wegen dan die van ING. Daarom heeft de rechtbank ING bevolen in te stemmen met de schuldregeling en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. De kosten van de procedure zijn begroot op nihil, aangezien verzoeker niet door een advocaat is bijgestaan.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 26 november 2025
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 22 juli 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:
  • ING Bank N.V. (hierna: ING);
  • Spring Properties B S.A.R.L. (hierna: Spring Properties);
  • Infomedics Factoring B.V. (hierna: Infomedics);
die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Vesting Finance heeft, namens ING, voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden. In het verweerschrift is opgenomen dat ING, om proceseconomische redenen, alleen schriftelijk verweer zal voeren.
CMIB Incasso Bureau heeft, namens Infomedics, voorafgaande aan de zitting, bij e-mail van 13 november 2025, aan de rechtbank te kennen gegeven dat Tandartsenpraktijk Zalmhaven reeds op 10 oktober 2025 akkoord is gegaan met het voorstel.
Ter zitting van 19 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Spring Properties is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Ter zitting van 26 november 2025 heeft schuldhulpverlening aanvullende stukken overgelegd. Uit deze stukken blijkt dat verzoeker en Spring Properties overeenstemming hebben bereikt. De vordering van Spring Properties wordt, als onderdeel van de regeling waarbij verzoeker verhuist naar een andere woning, kwijtgescholden. Ook blijkt uit de ter zitting overgelegde stukken dat Tandartsenpraktijk Zalmhaven al op 10 oktober 2025 akkoord is gegaan met het voorstel. Spring Properties en Tandartsenpraktijk Zalmhaven zijn dus geen weigerende schuldeisers meer.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zestien schuldeisers, waarvan één preferente en vijftien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 115.551,10 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 5 maart 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,18% aan de preferente schuldeisers en 1,59% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van zijn dienstbetrekking. Verzoeker werkt parttime en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds er sprake is van budgetbeheer geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan. Zijn vaste lasten worden door zijn budgetbeheerder voldaan.
Vijftien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. ING stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 81.244,89 op verzoeker, welke 70,3% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

In haar verweerschrift heeft ING zich op het standpunt gesteld dat het door verzoeker aangeboden akkoord in geen enkele verhouding staat tot de bij ING openstaande schuld. De wettelijke regeling van het dwangakkoord is niet bedoeld voor een situatie waarin de weigerende schuldeiser het grootste deel van de totale schuldenlast vertegenwoordigt. Daarnaast werkt verzoeker op dit moment 24 uur per week. Het is niet ondenkbaar dat verzoeker binnen afzienbare tijd meer uren zou kunnen werken. ING heeft het voorstel ook afgewezen vanwege de onwillige houding van verzoeker. Verzoeker heeft in 2020 een procedure aangespannen tegen ING. Op 12 juni 2020 heeft de rechtbank de vordering van verzoeker afgewezen. Verzoeker is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 8 februari 2022 heeft het gerechtshof de vordering van verzoeker ook afgewezen. Daarna is door verzoeker een voorstel gedaan tegen finale kwijting. Dit voorstel is afgewezen omdat verzoeker niet voldeed aan de maximale inspanningsplicht. Er is door ING een tegenvoorstel gedaan, maar hier heeft verzoeker niet op gereageerd. Verzoeker voldoet tot op heden niet aan de gestelde inspanningsplicht. Gezien de zwaarder wegende inspanningsplicht in een WSNP-traject acht ING dat de (maatschappelijke) belangen van alle schuldeisers en verzoeker zelf in een dergelijk wettelijk traject beter worden behartigd. ING dient het verzoek in om bij toelating tot de WSNP een termijn van maximaal drieënhalf jaar vast te stellen aangezien verzoeker op dit moment parttime werkt en zich meer in zou kunnen spannen.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft ING geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van ING bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of ING in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van ING een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 70,3%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk vijftien van de zestien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker een Ziektewetuitkering heeft en dat hij sinds twee weken zijn arbeidsuren aan het opbouwen is. Verzoeker werkt op dit moment zeven uur per week. Er moet nog één gesprek met de arbodienst plaatsvinden en dan zal beoordeeld worden of verzoeker meer uren kan werken. Verzoeker beschikt over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Namens verzoeker is een prognoseakkoord aangeboden. Dit houdt in dat, indien verzoeker meer inkomen zal genereren, dit ten goede zal komen aan de schuldeisers. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker zit in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van ING, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om ING te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
ING zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt ING om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt ING in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.