4.1.Op grond van artikel 4:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (de APV) is het verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een boom te vellen of te doen vellen indien de stamomtrek, of bij meerstammigheid de omtrek van de dikste stam, minimaal 50 centimeter is op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld of een overige houtopstand te vellen of te doen vellen. De vergunning kan op grond van artikel 4:11b, vierde lid, van de APV worden geweigerd op grond van:
natuur- en milieuwaarden;
landschappelijke waarden;
cultuurhistorische waarden;
waarde van stads- en dorpsschoon;
waarden voor recreatie en leefbaarheid.
Op grond van artikel 4:11f van de APV kan het bevoegd gezag een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Meer precies is het de omgevingsplanactiviteit ‘het vellen van een boom’ (een kapvergunning). Onder de Omgevingswet is de zogeheten onlosmakelijke samenhang zoals die gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) komen te vervallen. Onder de Wabo moest kortgezegd in één keer voor alle activiteiten die onlosmakelijk samenhangen een omgevingsvergunning worden aangevraagd en verleend. Het systeem van de Omgevingswet is zo dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wel en niet gelijktijdig een aanvraag doet. Hier heeft vergunninghoudster alleen voor de omgevingsplanactiviteit een vergunning gevraagd en gekregen. Als de voorzieningenrechter in de termen van de Omgevingswet vertaald wat verzoekers in hun verzoek naar voren hebben gebracht, komt het er kortgezegd op neer dat zij menen dat voor het kappen en verplaatsen van de bomen óók een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. De bomen zijn volgens hen namelijk onderdeel van een verblijfplaats of foerageergebied van vleermuizen en slechtvalken, zodat het kappen en verplaatsen van de bomen een verstorende handeling is die niet zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit mag worden verricht. Dat is echter niet de activiteit waarvoor hier vergunning is gevraagd en gekregen. Zoals hiervoor uitgelegd, is het onder de Omgevingswet ook niet meer verplicht om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bepaald type activiteit gelijktijdig ook voor andere eventueel noodzakelijke activiteiten een omgevingsvergunning aan te vragen. Dit heeft tot gevolg dat voor de voorzieningenrechter in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit (de kapvergunning) zoals die nu is verleend ter beoordeling voor ligt. Wat verzoekers aanvoeren valt buiten de reikwijdte van die vergunning. De voorzieningenrechter kan zich niet uitlaten over de vraag of een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, zoals hier de flora- en fauna-activiteit uit artikel 5.1, tweede lid, onder g van de Ow, noodzakelijk is en of zo’n vergunning kan worden verleend. Althans, hij kan zich er natuurlijk wel over uitlaten maar het punt is dat, als de conclusie zou zijn dat naar zijn voorlopig oordeel voor het kappen en verplaatsen van de bomen vanwege de desbetreffende verbodsbepalingen uit het Besluit activiteiten leefomgeving ook nog een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd en verleend, dit niet de rechtmatigheid van de voorliggende vergunning raakt. Met andere woorden: dit levert in juridische zin geen grondslag op om de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit te schorsen. Dat zou nog anders kunnen zijn als het gaat om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit omdat bij de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel moet worden gemotiveerd waarom de flora- en fauna-activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt. Dit betreft de uitvoerbaarheidstoets. Maar voor een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de voorliggende kapvergunning is echt alleen het stelsel van weigeringsgronden uit artikel 4:11b van de APV relevant. Vergunninghoudster heeft op dit moment geen omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit aangevraagd bij het daartoe bevoegde gezag, het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, volstaat hij met de waarschuwing aan vergunninghoudster dat zij van de verleende omgevingsvergunning, ook indien de voorzieningenrechter tot het oordeel zou komen dat die op zichzelf rechtmatig is verleend, geen gebruik mag maken als voor het kappen en verplaatsen van de bomen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is.
Weigeringsgronden uit artikel 4:11b van de APV
6. Verzoekers zijn het niet eens met de kap van de 9 bomen en het verplanten van de 24 bomen. Zij wijzen op het belang van de bomen voor de omgeving. Volgens verzoekers is het onderzoek van Econsultancy niet representatief omdat een te klein gebied is onderzocht en het onderzoek verouderd is. Daarbij wijzen verzoekers op het second opinion Bionet natuuronderzoek. Uit de Flora- en faunatoets blijkt dat de rij populieren de potentie heeft als essentiële vliegroute, essentieel fourageergebied en als essentieel onderdeel van mogelijk in de bebouwing aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is hiervoor geen ontheffing verleend. Ook is er geen onderzoek gedaan naar de slechtvalk. Voor wat betreft de twee zwarte populieren voeren verzoekers aan dat deze op de beschermde lijst staan en daarom van waarde zijn.
7. Het college heeft in het bestreden besluit IIII overwogen dat de belangen en waarden genoemd in artikel 4:11b, vierde lid, van de APV in voldoende mate zijn vastgesteld en op inzichtelijke wijze tegen elkaar zijn afgewogen. Het college heeft toegelicht dat de omgevingsvergunning voor de kap en het verplanten van de bomen is verleend omdat dit noodzakelijk is om de nieuwbouw volgens het stedenbouwkundig matenplan “Schieblocks The Bluezone Offices” te kunnen realiseren. Onder verwijzing naar het Verplantbaarheidsonderzoek van Bomenwacht Nederland van juni 2024 heeft het college toegelicht dat de 9 bomen niet verplant kunnen worden vanwege de soort en de standplaats van de bomen. De bomen hebben een matige tot slechte conditie en staan (gedeeltelijk) op het toekomstige bouwterrein. Voor wat betreft de 24 platanen heeft Bomenwacht verklaard dat deze de verplanting goed aan kunnen en dat ze beperkte ecologische waarde hebben. In het ecologisch onderzoek van Econsultancy van 12 juli 2023 staat dat er geen beschermde flora aanwezig is in het plangebied en dat er voor wat betreft de aanwezige fauna geen essentiële verblijf- of foerageergebieden zijn. Er is wel een paarverblijf van de ruige dwergvleermuis aangetroffen in een gebouw aan de Delftsestraat in Rotterdam. Ter zitting heeft het college toegelicht dat er geen slechtvalk is waargenomen in het gebied van de te kappen bomen.
8. De voorzieningenrechter begrijpt de aangevoerde gronden zo dat verzoekers zich beroepen op de natuur- en milieuwaarden van de bomen (artikel 4:11b, vierde lid, onder a van de APV). In het bestreden besluit IIII is het college ingegaan op deze waarden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon het college zich op basis van het ecologisch onderzoek van Econsultancy en het verplantingsonderzoek van Bomenwacht op het standpunt stellen dat de natuur- en milieuwaarden niet zodanig worden aangetast dat de omgevingsvergunning om die reden had moeten worden geweigerd. De voorzieningenrechter wijst erop dat zelfs wanneer één van de weigeringsgronden uit artikel 4:11b, vierde lid, van de APV zich voordoet, het college alsnog de bevoegdheid heeft om de omgevingsvergunning te verlenen. In wat verzoekers hebben aangevoerd, ook met het second opinion Bionet natuuronderzoek, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de natuur- en milieuwaarden onvoldoende in beeld heeft gehad. Zo blijkt uit het onderzoek van Bomenwacht dat de te kappen polieren van matige kwaliteit zijn en dat de levensduur van de meeste populieren 5-15 jaar is. Verder is uit het onderzoek van Econsultancy niet gebleken dat er op de desbetreffende locatie slechtvalken verblijven. In de bebouwing aan de Delftsestraat is alleen één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis aangetroffen. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen wat verzoekers hebben aangevoerd geen concrete aanwijzingen om te twijfelen aan de actualiteit van het onderzoek van Econsultancy. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de omgevingsvergunning een voorschrift is opgenomen voor het laten uitvoeren van een quickscan voordat de kap en verplanting plaatsvindt.