ECLI:NL:RBROT:2025:13800

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25-1206
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van de wettelijke schuldsaneringsregeling met eerdere ingangsdatum op basis van afloscapaciteit en inspanningsverplichting

Op 14 november 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) voor een verzoeker die zich in een problematische schuldensituatie bevond. De verzoeker had een aanvraag ingediend om toegelaten te worden tot de Wsnp, welke aanvraag op 7 november 2025 werd behandeld. Tijdens de zitting was de verzoeker aanwezig, samen met zijn beschermingsbewindvoerder, mevrouw M. van den Berg. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in staat was om een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen, omdat de grootste schuldeiser, de Belastingdienst, niet akkoord ging met een minnelijk traject. De rechtbank oordeelde dat de verzoeker ontvankelijk was in zijn verzoek en voldeed aan de voorwaarden voor toelating tot de Wsnp. De rechtbank heeft de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vastgesteld op 14 augustus 2025, drie maanden eerder dan de datum van het vonnis, op basis van de afloscapaciteit van de verzoeker en de inspanningsverplichting die hij had nageleefd. De rechtbank benoemde ook een bewindvoerder en een rechter-commissaris om toezicht te houden op de uitvoering van de regeling. De duur van de Wsnp-regeling werd vastgesteld op 18 maanden, met een einddatum op 14 februari 2027. De verzoeker heeft het recht om binnen acht dagen na de uitspraak hoger beroep in te stellen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van:
14 november 2025
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres 1],
[postcode] [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 7 november 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoeker],
- mevrouw M. van den Berg, beschermingsbewindvoerder.
1.3.
De beschermingsbewindvoerder heeft, op verzoek van de rechtbank, op
7 november 2025 aanvullende stukken toegezonden aan de rechtbank.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de grootste schuldeiser, de Belastingdienst, bij voorbaat heeft aangegeven niet akkoord te gaan met een minnelijk schuldenregeling. Daarnaast is de schuldensituatie van [verzoeker] niet inzichtelijk.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
De toelating
2.4.
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.5.
[verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.6.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.7.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.8.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.9.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.10.
Bij het verzoekschrift zijn berekeningen van het vtlb gevoegd. De rechtbank stelt vast dat zij de berekening van het vtlb voor het jaar 2024 niet kan controleren omdat de onderliggende stukken ontbreken. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen of [verzoeker] gedurende deze periode aan zijn afdrachtverplichting heeft voldaan. De ingangsdatum van de wsnp kan daarom niet eerder liggen dan 1 januari 2025.
2.11.
Het verzoekschrift bevat wel voldoende stukken om het vtlb van 2025 te controleren. Hieruit volgt dat [verzoeker] in de maanden januari tot en met juni 2025 een afloscapaciteit had van € 63,84 en in de maanden juli tot en met december 2025 € 64,94. [verzoeker] heeft dit bedrag niet iedere maand gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers. Tijdens het schuldhulpverleningstraject heeft, in ieder geval gedurende een periode van negen maanden, beslag gelegen op het inkomen van [verzoeker]. De afloscapaciteit van [verzoeker] lag in het grootste deel van deze periode echter hoger dan de hoogte van het beslag. [verzoeker] had dus de mogelijkheid om naast het beslag aanvullend af te lossen volgens het vtlb. Dat is niet gebeurd. De rechtbank stelt vast dat de periode van negen maanden waarin beslag heeft gelegen niet volledig in aanmerking kan worden genomen bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling. Uit de stukken blijkt dat gedurende deze periode in totaal € 207,20 is afgedragen via het beslag, terwijl – gelet op de vastgestelde afloscapaciteit op basis van het vtlb – € 577,86 afgedragen had kunnen worden. [verzoeker] heeft daarnaast ook via beslag een deel van zijn vakantiegeld afgedragen. [verzoeker] heeft niet volledig afgelost conform zijn daadwerkelijke afloscapaciteit. Wanneer de daadwerkelijk afgedragen bedragen worden afgezet tegen het bedrag dat afgedragen had kunnen worden, komt dit neer op een verhouding van ongeveer drie maanden volledige aflossing.
2.12.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 14 augustus 2025, hetgeen neerkomt op een eerdere ingangsdatum van drie maanden ten opzichte van een reguliere ingangsdatum op de dag van dit vonnis.
2.13.
De rechtbank stelt daarbij vast dat in de periode van het schuldhulpverleningstraject wel aan de inspanningsverplichting is voldaan, gezien de medische toestand van [verzoeker].

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker].
3.6.
Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum ]-1971 te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1], [postcode] [plaatsnaam];
voorheen handelend onder de naam [naam],
gevestigd te [adres 2];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. J.T.P. Pot
en tot bewindvoerder M. Zomerdijk,
gevestigd te [postadres]
;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 14 augustus 2025 en de duur op 18 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
  • draagt de bewindvoerder op de post van [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. J.T.P. Pot, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025. [1]