ECLI:NL:RBROT:2025:13799

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1829 – FT RK 25-1830
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een moratorium op verzoek van een huurder in het kader van de Faillissementswet

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 13 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschriftprocedure op basis van artikel 287b van de Faillissementswet. Verzoekster, die een PW-uitkering ontvangt, heeft op 7 oktober 2025 een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening, omdat er een dreigende ontruiming van haar huurwoning op handen was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de huurtermijnen voor oktober en november 2025 tijdig zijn voldaan en dat verzoekster voldoende inkomen heeft om de lopende huur te betalen. Tevens is verzoekster sinds 20 oktober 2025 onder beschermingsbewind geplaatst, wat de rechtbank als een positieve factor heeft meegewogen. Verweerster, de verhuurder, heeft geen verweer gevoerd en refereerde zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat er sprake is van een bedreigende situatie en heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen voor de duur van zes maanden. De tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming is opgeschort, en de huurovereenkomst is verlengd voor dezelfde periode, mits de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Daarnaast is verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 13 november 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 7 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 november 2025.
Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting laten weten dat zowel zij als verweerster niet op de zitting van 5 november 2025 aanwezig zullen zijn en dat verweerster zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
De heer G. van de Bovenkamp, werkzaam bij Stichting CAV, beschermingsbewindvoerder van verzoekster, heeft de rechtbank op 5 november 2025 aanvullende informatie toegestuurd en gemeld dat hij niet ter zitting zal verschijnen.
Ter zitting van 5 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
- verzoekster.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster ontvangt een PW-uitkering en toeslagen en heeft daarmee een inkomen van in totaal € 3.399,14 per maand. Verzoekster heeft ter zitting aangetoond dat de huurtermijnen van oktober en november 2025 tijdig en volledig zijn voldaan.
De inkomsten van verzoekster zijn voldoende om de lopende termijnen van € 735,78 per maand te betalen. Daarnaast is sinds 20 oktober 2025 sprake van beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerder zal zorg dragen voor de betaling van de huurtermijnen vanaf december 2025.

3.Het verweer

Verweerster heeft geen verweer gevoerd. Verweerster refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 29 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 9 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij met haar minderjarige kinderen in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 7 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De lopende termijnen voor de maanden oktober en november 2025 zijn tijdig betaald. Er is voldoende inkomen om de lopende huur te kunnen voldoen en daarbij staat verzoekster sinds 20 oktober 2025 onder beschermingsbewind, waardoor ook voldoende aannemelijk is dat de lopende termijnen zullen worden betaald. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 7 augustus 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres], [postcode] te [plaatsnaam], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
8 oktober 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.