Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
2.Het verzoek
3.Het verweer
4.De beoordeling
5.De beslissing
8 oktober 2025;
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 13 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschriftprocedure op basis van artikel 287b van de Faillissementswet. Verzoekster, die een PW-uitkering ontvangt, heeft op 7 oktober 2025 een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening, omdat er een dreigende ontruiming van haar huurwoning op handen was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de huurtermijnen voor oktober en november 2025 tijdig zijn voldaan en dat verzoekster voldoende inkomen heeft om de lopende huur te betalen. Tevens is verzoekster sinds 20 oktober 2025 onder beschermingsbewind geplaatst, wat de rechtbank als een positieve factor heeft meegewogen. Verweerster, de verhuurder, heeft geen verweer gevoerd en refereerde zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat er sprake is van een bedreigende situatie en heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen voor de duur van zes maanden. De tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming is opgeschort, en de huurovereenkomst is verlengd voor dezelfde periode, mits de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Daarnaast is verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen.