Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:13796

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1855 – FT RK 25/1856
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tweede moratoriumverzoek en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling

Verzoeker heeft op 10 oktober 2025 een tweede voorlopige voorziening (moratorium) ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om uitvoering van een ontruimingsvonnis te voorkomen. Eerder was al een moratorium van zes maanden toegekend, lopende van januari tot juli 2025. Verzoeker betaalde de huurtermijnen tot juni 2025, maar vanaf augustus 2025 zijn de huurtermijnen niet meer voldaan, waaronder ook november 2025 niet.

De rechtbank oordeelt dat de maximale termijn van zes maanden moratorium al is verstreken en dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. Het betoog dat het eerste moratorium tussentijds zou zijn geëindigd wordt gepasseerd, omdat partijen zich niet zo hebben gedragen.

De belangenafweging weegt zwaar in het voordeel van verweerster, die het ontruimingsvonnis wil uitvoeren. Verzoeker wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet. De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af en laat verzoeker de mogelijkheid om later een nieuw verzoek in te dienen.

Uitkomst: Het verzoek om een tweede voorlopige voorziening wordt afgewezen en verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 12 november 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 10 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 13 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 november 2025.
Ter zitting van 5 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer mr. M.P. Harten, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat).
Mr. M.C. Blok, werkzaam bij SWG Advocaten B.V. heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank op 4 november 2025 een verweerschrift toegezonden.
Altera Residential Custodian B.V., gevestigd te Amstelveen (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van twee maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft reeds eerder op 10 februari 2025 een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw toegewezen gekregen voor de duur van zes maanden. Verzoeker heeft de vierde huurtermijn niet – tijdig – voldaan, waardoor de ontruimingsbescherming vanaf dat moment is komen te vervallen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat er nog ruimte is om een voorlopige voorziening te treffen voor twee maanden, aangezien de wetgever de mogelijkheid heeft geboden om een voorziening van (totaal) zes maanden te verkrijgen.
Verzoek heeft vanuit optimistisch oogpunt zijn minnelijk traject – dat naar aanleiding van de voorlopige voorziening van 10 februari 2025 zou worden opgestart – tijdelijk opgeschort. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat het minnelijk traject vanaf volgende week weer zou worden opgestart. Verzoeker heeft inkomsten uit onderneming. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat de huurtermijnen van januari tot en met juni 2025 zijn betaald. Hierbij heeft de advocaat van verzoeker aangegeven dat de huurtermijn van april 2025 te laat is betaald, waardoor de voorlopige voorziening van 10 februari 2025 is komen te vervalen. De huurtermijn van november 2025 is niet betaald. Verzoeker zal zijn inkomen laten overmaken op een betalingsrekening van schuldhulpverlening, waardoor gewaarborgd is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald.

3.Het verweer

In haar verweerschrift stelt verweerster dat verzoeker op 10 februari 2025 reeds eerder een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw toegewezen gekregen voor de duur van zes maanden. Gedurende de lopende voorziening werden de lopende huurtermijnen voldaan. Na afloop van de lopende voorziening zijn de lopende huurtermijnen vanaf augustus 2025 onbetaald gebleven, waardoor de totale huurachterstand (wederom) is opgelopen. De achterstand bedraagt inmiddels € 15.130,93. Het is voor verweerster onbekend of het minnelijke traject is opgestart; verweerster heeft hierover geen bericht dan wel aanbod ontvangen. Verweerster stelt zich op het standpunt dat er geen zicht is op financieel herstel of perspectief. Van verweerster kan – in de gegeven omstandigheden – niet meer worden gevergd dat zij nog langer het huurgenot verschaft. Verweerster verzoekt daarom het verzoek tot een (tweede) voorlopige voorziening af te wijzen.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 17 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 14 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Duur van de voorlopige voorziening – tweede verzoek
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. De termijn van zes maanden kan te kort zijn als bijvoorbeeld het minnelijk traject lang(er) duurt of als niet binnen deze termijn onherroepelijk op het schuldsaneringsverzoek is beslist. In dat geval zou wellicht een verzoek ex art. 287, vierde lid, Fw kunnen worden ingediend. Daarnaast is het zo dat na verval van een voorlopige voorziening – omdat de lopende huurtermijnen niet worden betaald – een tweede voorlopige voorziening kan worden gevraagd en toegewezen. Hierbij dient de looptijd van de eerste voorlopige voorziening betrokken te worden, waardoor het totaal van beide voorlopige voorzieningen niet hoger kan uitkomen dan zes maanden.
Vast staat dat verzoeker op 10 februari 2025 een moratorium heeft toegewezen gekregen, derhalve vanaf 17 januari 2025 tot en met 17 juli 2025. Zowel verzoeker als verweerster stellen zich op het standpunt dat de lopende huurtermijnen gedurende deze periode zijn betaald. Het betoog van verzoeker dat het moratorium op 1 april 2025 is vervallen, doordat de huurtermijn van april 2025 te laat is betaald, en dat daarom aanspraak gemaakt kan worden op een tweede moratorium voor de resterende drie maanden, wordt gepasseerd. De verhuurder betwist dat het eerste moratorium tussentijds is geëindigd, verzoeker heeft een tussentijds einde niet aannemelijk gemaakt en partijen hebben zich ook niet gedragen alsof het moratorium eerder geëindigd was. De maximale termijn van zes maanden is dus al verstreken. Daar komt nog bij dat verzoeker de huur over de maand november nog niet heeft kunnen betalen zo verklaart hij. Verzoeker heeft aangegeven te verwachten dat hij daags na de zitting de huur kan betalen, maar dat zal in elk geval te laat zijn en betaling is dus nog onzeker. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Ook heeft verzoeker in dit geval geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een verzoek ex art. 287, vierde lid, Fw in te dienen. Ter zitting heeft de advocaat hierover verklaard dat schuldhulpverlening – in overleg met schuldenaar – te weinig heeft gedaan om tot een verzoek Wsnp te kunnen komen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het voorliggende verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw te beschouwen als een verzoek ex art. 287, vierde lid, Fw.
Belangen afweging
De rechtbank merkt op dat wanneer zij tot een belangen afweging was gekomen, het verzoek eveneens afgewezen dient te worden. De rechtbank legt hierna uit hoe zij daartoe is gekomen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject (alsnog) door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 april 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. De lopende huurtermijnen zijn vanaf augustus 2025 niet betaald. Daarnaast is onvoldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen wel tijdig zullen worden betaald. Ook is onzeker of verzoeker voldoende inkomen kan genereren om de lopende huurtermijnen te voldoen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.