ECLI:NL:RBROT:2025:13794
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in het kader van schuldsanering
In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 7 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b van de Faillissementswet. Verzoeker had op 29 september 2025 een verzoekschrift ingediend, waarin hij vroeg om een moratorium van zes maanden om te voorkomen dat verweerders het vonnis van 28 augustus 2025 tot ontruiming van zijn woonruimte ten uitvoer zouden leggen. Tijdens de zitting op 24 oktober 2025 zijn de verweerders, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker zonder bericht van verhindering niet ter zitting is verschenen en dat er geen contact meer is met de schuldhulpverlening en het wijkteam. Dit leidde tot de conclusie dat het onvoldoende aannemelijk was dat verzoeker in staat zou zijn om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
De rechtbank heeft vervolgens de belangen van verzoeker en verweerders tegen elkaar afgewogen. Verzoeker wilde in zijn huurwoning blijven wonen en het minnelijk schuldhulpverleningstraject doorlopen, terwijl verweerders het vonnis tot ontruiming wilden uitvoeren. De rechtbank oordeelde dat het belang van verweerders zwaarder woog, gezien de omstandigheden en het gebrek aan communicatie van verzoeker. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen.