ECLI:NL:RBROT:2025:13724

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
11893428 VV EXPL 25-570
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 RvArt. 139 RvArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis tot betaling huurachterstand en ontruiming woning in kort geding

In deze kortgedingprocedure vordert de verhuurder betaling van een huurachterstand van €8.600,70 en ontruiming van de gehuurde woning door de huurders, die niet zijn verschenen en verstek lieten verlenen. De huurders huren de woning sinds november 2021 en de maandelijkse huur bedraagt €1.720,14.

De kantonrechter oordeelt dat er spoedeisend belang is bij de vordering en dat de gevorderde ontruiming niet onrechtmatig of ongegrond is. Ondanks dat de verhuurder de huurders kort voor de dagvaarding heeft aangemeld bij de gemeente voor schuldhulpverlening, is dit onvoldoende om ontruiming te voorkomen, mede gezien aanwijzingen dat de huurders niet meer in de woning verblijven.

De huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, de maandelijkse huur tot aan de ontruiming, en de wettelijke rente over deze bedragen. Tevens worden zij veroordeeld in de proceskosten van €913,45. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd.

Uitkomst: Huurders worden veroordeeld tot betaling van huurachterstand en ontruiming van de woning binnen zeven dagen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11893428 VV EXPL 25-570
datum uitspraak: 3 december 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: Rotterdam,
eiser,
gemachtigde: mr. M.J. Goedhart,
tegen

1.[gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagden,
die niet zijn verschenen.
Eiser wordt hierna ‘[eiser]’ genoemd. Gedaagden worden hierna afzonderlijk ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’ genoemd en gezamenlijk ‘[gedaagden]’.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 6 oktober 2025, met bijlagen;
  • de akte van [eiser] van 23 oktober 2025 met een eisvermeerdering.
1.2.
Op 19 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig M.R. de Jezus namens [eiser] met zijn gemachtigde. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[gedaagden] huren sinds 11 november 2021 van [eiser] de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De huurprijs is nu € 1.720,14 per maand. Op het moment van dagvaarden was er een huurachterstand van € 6.880,56. Ter zitting heeft [eiser] gesteld dat deze per november 2025 is opgelopen tot € 8.600,70. [eiser] eist dat [gedaagden] die achterstand betalen, vermeerderd met bijkomende kosten, en dat zij de woning ontruimen. Hij wil ook dat de huur wordt doorbetaald totdat de woning is ontruimd.

3.De beoordeling

3.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is, zodat hij ontvankelijk is in zijn vordering.
Ontruiming
3.2.
[gedaagden] moeten binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis de woning ontruimen. Deze eis lijkt namelijk niet onrechtmatig of ongegrond (artikel 139 Rv Pro). Hoewel [eiser] [gedaagden] nog geen maand voor de datum van de dagvaarding heeft aangemeld bij de gemeente in het kader van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening staat dit niet in de weg aan de toewijzing van de gevorderde ontruiming. [eiser] heeft [gedaagden] immers gewezen op de schuldhulpverlening, maar zij hebben daar niets mee gedaan. Bovendien zijn er sterke aanwijzingen dat zij niet meer in de woning wonen. De kantonrechter acht het dan ook niet aannemelijk dat een eerdere melding in dit geval het oplopen van de huurachterstand had kunnen voorkomen. Gelet op de hoogte van de achterstand is het voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure daarop vooruit te lopen door [gedaagden] te veroordelen om de woning te ontruimen.
Huurachterstand
3.3.
[eiser] heeft onweersproken gesteld dat de huurachterstand tot en met november 2025 € 8.600,70 bedraagt. Omdat ook deze eis niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv Pro) worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeeld om dit bedrag aan [eiser] te betalen. Zij moeten ook vanaf 1 december 2025 tot en met de dag van de ontruiming de maandelijkse huurprijs van € 1.720,14 (blijven) betalen.
Rente
3.4.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagden] dat niet hebben betwist. Dit houdt in dat [gedaagden] wettelijke rente moeten betalen over het openstaande bedrag van de huurachterstand, te rekenen vanaf de vervaldatum van iedere huurtermijn tot aan de dag dat volledig is betaald. Indien [gedaagden] ook toekomstige huurtermijnen niet of niet tijdig betalen, zijn zij eveneens wettelijke rente verschuldigd over het dan openstaande saldo, telkens vanaf de betreffende vervaldatum van iedere huurtermijn tot het moment waarop volledig is betaald.
Proceskosten
3.5.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hoofdelijk veroordeeld om de proceskosten te betalen, omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagden] aan [eiser] moeten betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 90,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 913,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard , omdat [eiser] dat eist (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
4.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;
4.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen € 8.600,70, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vervaldata van de betreffende huurtermijnen tot de dag dat volledig is betaald;
4.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen € 1.720,14 met ingang van de maand december 2025 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;
4.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om, voor iedere maand waarin de huur van € 1.720,14 niet of niet tijdig wordt betaald, aan [eiser] de wettelijke rente te betalen over het openstaande bedrag, te berekenen vanaf de vervaldatum van de betreffende huurtermijn tot de dag dat volledig is betaald;
4.5.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 913,45, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Gerritse en in het openbaar uitgesproken.
53954