ECLI:NL:RBROT:2025:13721

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
C/10/708497 / JE RK 25-2128 en C/10/709448 / JE RK 25-2255
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nadere beschikking voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing met betrekking tot minderjarigen na geconstateerd letsel

Op 31 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking uitgesproken in een zaak betreffende de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen, na geconstateerd letsel bij de oudste. De Raad voor de Kinderbescherming had verzocht om [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er ernstige zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen, vooral na medische bevindingen die wijzen op toegebracht letsel bij [minderjarige 1]. De ouders hebben ter zitting geen verweer gevoerd tegen de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3], maar hebben wel verweer gevoerd tegen de uithuisplaatsing van alle drie de kinderen. De kinderrechter heeft besloten om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht te stellen, maar de verzoeken tot uithuisplaatsing zijn afgewezen. De kinderrechter oordeelt dat de veiligheid van de kinderen op dit moment voldoende gewaarborgd is door het vier-ogen-principe en de betrokkenheid van de oma. De Raad zal verder onderzoek doen naar de situatie.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708497 / JE RK 25-2128 en C/10/709448 / JE RK 25-2255
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] en [de vader],
hierna te noemen: de moeder en de vader, tezamen te noemen: de ouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Kara, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de spoedbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 oktober 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken ten aanzien van het verzoek met zaaknummer: C/10/708497 / JE RK 25-2128;
  • het verweerschrift van mr. S. Kara met bijlagen van 28 oktober 2025 ten aanzien van het verzoek met zaaknummer: C/10/708497 / JE RK 25-2128;
  • de samenvatting van de medische bevindingen en conclusies van de LECK rapportages van 31 oktober 2025, ingezonden door de Raad ten aanzien van beide verzoeken;
  • het nagezonden verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 31 oktober 2025, bij de griffie ingekomen op 3 november 2025 ten aanzien van zaaknummer: C/10/709448 / JE RK 25-2255.
1.2.
Op 31 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en de moeder met hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan twee vertrouwensartsen van Veilig Thuis, te weten [persoon A] en [persoon B] . [persoon A] is ter zitting gehoord als informant.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] .
2.3.
[minderjarige 1] verblijft in het [ziekenhuis] . [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de ouders.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 oktober 2025 [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 januari 2026. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking ook een spoedmachtiging verleend [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in het [ziekenhuis] tot 13 november 2025.

3.De verzoeken

Het verzoek met zaaknummer C/10/708497 / JE RK 25-2128
3.1.
De Raad heeft bij verzoekschrift van 16 oktober 2025 verzocht [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Dit verzoek is reeds toegewezen. Ook heeft de Raad verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] te verlenen in het [ziekenhuis] , voor de duur van drie maanden. Dit verzoek is reeds voor de duur van vier weken toegewezen. Thans dient op het restant te worden beslist.
3.2.
Ter zitting heeft de Raad het restant van het verzoek mondeling gewijzigd in die zin dat nu wordt verzocht om een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin, te weten de oma moederszijde (hierna: mz), tot 16 januari 2026.
Het verzoek met zaaknummer C/10/709448 / JE RK 25-2255
3.3.
De Raad heeft ter zitting mondeling verzocht om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook heeft de Raad ter zitting verzocht een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlenen in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma (mz), of in voorziening voor (neutrale)pleegzorg voor de duur van drie maanden.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft de verzoeken ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De Raad wil het verzoek voor [minderjarige 1] veranderen in een plaatsing binnen het netwerk. De Raad is van oordeel dat er ook spoed is ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Daarom verzoekt de Raad ook de voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk dan wel een voorziening voor (neutrale)pleegzorg voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Op de vorige zitting van 28 oktober 2025 waren er nog veel onduidelijkheden. Gisteren is er een groot overleg geweest met het CIT, Veilig Thuis en de (vertrouwens)artsen. Geconstateerd is dat het letsel wat bij [minderjarige 1] gezien wordt beter past bij toegebracht letsel dan bij accidenteel letsel. Om deze reden heeft de Raad zijn verzoeken uitgebreid naar de andere twee kinderen. De Raad heeft zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de ouders. Nu vast is komen te staan dat het letsel van [minderjarige 1] met kracht toegebracht moet zijn, zijn er ook voor de andere kinderen immers risico’s op kindermishandeling. Er is vandaag een overleg geweest met het netwerk van de ouders. Oma (mz) heeft daarin aangegeven dat zij openstaat voor een plaatsing van de kinderen bij haar. De Raad heeft de oma (mz) gecheckt in hun systemen. De oma (mz) komt daarin voor, maar die meldingen staan een plaatsing van de kinderen bij haar niet in de weg. Er zullen (veiligheid)afspraken gemaakt moeten worden tussen de ouders en de GI evenals bezoekafspraken voor de ouders.
4.2.
De GI staat achter de verzoeken van de Raad. Er geldt op dit moment een vier-ogen-principe bij de ouders thuis. Dit houdt in dat de ouders vooralsnog niet zonder een derde, de oma (mz), de zorg voor de kinderen mogen hebben. De GI was niet op de hoogte van de omgang die de vader heeft met zijn dochter [naam] . Gisterenavond heeft de GI de conclusies gekregen van de artsen van het [ziekenhuis] waaruit volgt dat het waarschijnlijker is dat het letsel is toegebracht, dan dat het niet is toegebracht. De GI heeft daarom veel zorgen over alle kinderen. De mutaties die de GI heeft ontvangen over oma (mz) staan niet in de weg aan een plaatsing van de kinderen bij haar.
4.3.
De vertrouwensarts van Veilig Thuis heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vertrouwensarts heeft de samenvatting geschreven op basis van de rapportages van de medisch specialisten van het ziekenhuis. De vertrouwensarts heeft ter zitting aangevoerd dat er een bloeding onder het schedeldak is vastgesteld evenals bloedingen in beide ogen, een breuk in de rib en een kleine afwijking in een andere rib. De vertrouwensarts geeft aan dat het onbekend is of deze afwijking eerder ook een breuk is geweest. De vertrouwensarts heeft aangegeven dat de kinderartsen de kans heel klein achten dat het in het geval van [minderjarige 1] zou gaan om een medische afwijking waardoor het letsel is ontstaan. Dit maakt dat zij het waarschijnlijker vinden dat het in de situatie van [minderjarige 1] gaat om toegebracht letsel. De vertrouwensarts stelt verder dat als je de drie vormen van letsel gecombineerd bekijkt er geen ziekte te bedenken is die het letsel van [minderjarige 1] zou kunnen verklaren. De vertrouwensarts geeft verder aan dat er momenteel wordt bezien of het mogelijk nog kan gaan om een aangeboren of genetische afwijking, maar dat de kinderartsen op dit moment niet het vermoeden hebben dat daaruit nog iets zal volgen. De vertrouwensarts wil daarbij opmerken dat er wel wat dingen gezien zijn bij [minderjarige 1] die kunnen wijzen op aangeboren of genetische aandoeningen. Zo zijn er een aantal aspecten in het gelaat van [minderjarige 1] die er anders uitzien dan die van kinderen die geen aangeboren of genetische afwijking hebben. Desgevraagd geeft de vertrouwensarts aan dat er geen inschatting gemaakt kan worden van hoe oud het trauma van [minderjarige 1] is. Ten aanzien van het letsel in het schedeldak is datering namelijk niet mogelijk. Ten aanzien van de breuk in de rib kan gesteld worden dat deze semi-recent is. Uitgesloten is dat dit letsel is ontstaan tijdens de geboorte van [minderjarige 1] , omdat [minderjarige 1] via een keizersnede is geboren. Gezien de ernst van het letsel moet dit met een forse hoeveelheid energie van buitenaf zijn ontstaan. Een val van een bank is daarbij te licht. Het gaat echt om een forse en grove impact. In zeldzame gevallen kan een bloeding in het schedeldak volgens de vertrouwensarts ontstaan door een bloedvaatje wat vreemd gegroeid is en uiteenspat. Het komt wel eens voor, maar is dan vaak geïsoleerd letsel. Terwijl we bij [minderjarige 1] aan beide kanten van het schedeldak bloedingen zien. De vertrouwensarts geeft aan dat je dit vaak terug ziet in gevallen van toegebracht hersenletsel. Ten aanzien van de gebroken rib geldt volgens de vertrouwensarts dat een rib van een jonge baby, zoals [minderjarige 1] , zeer flexibel is. Daar moet echt fors kracht op zijn gekomen om een breuk te veroorzaken. Desgevraagd geeft de vertrouwensarts aan dat er tijdens de echo tekenen van een waterhoofd zouden zijn gezien bij [minderjarige 1] , maar dat deze diagnose niet door de artsen in het [ziekenhuis] is bevestigd. Dit zou goed zichtbaar zijn op een CT of MRI-scan, maar hiervan is ook geen aantekening gemaakt. Ten aanzien van de vraag of een waterhoofd dit letsel sneller kan veroorzaken, stelt de vertrouwensarts dat er dan alsnog (aanzienlijke) impact van buiten af moet zijn geweest en dat dit uiterst zeldzaam is.
4.4.
Door en namens de ouders is ter zitting geen verweer gevoerd ten aanzien van het verzoek om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht te stellen. Zij hebben ter zitting wel verweer gevoerd tegen de verzoeken ten aanzien van de machtigingen tot uithuisplaatsingen van alle drie de kinderen. De uitslagen van de MRI-scan van [minderjarige 1] zijn bekend en deze zijn positief. [minderjarige 1] maakt het goed en zijn letsel zal verder poliklinisch afgehandeld worden. [minderjarige 1] zal daarom vandaag uit het ziekenhuis ontslagen worden. Kort voor de zitting zijn de medische bevindingen van het onderzoek met de ouders gedeeld. Hieruit volgt de conclusie dat het vermoeden is dat het letsel dat bij [minderjarige 1] gevonden is niet-accidenteel is, maar dat het toegebracht letsel is. De ouders zijn geschrokken van de uitkomsten en hebben hier geen verklaring voor. Het enige wat de ouders kunnen bedenken is dat een van de andere kinderen mogelijk te grof met [minderjarige 1] is omgegaan. De ouders hebben nooit iets gemerkt aan [minderjarige 1] . Het is de ouders tevens kort voor de zitting ter oren gekomen dat de Raad ter zitting ook om een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gaat verzoeken vanwege de conclusies van het onderzoek. De ouders wensen in het verlengde hiervan duidelijk te maken dat er thuis een vier-ogen-principe geldt ten aanzien van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , maar niet ten opzichte van [naam] , de dochter van de vader, die inmiddels conform omgangsregeling ieder weekend bij de ouders verblijft. De ouders wensen verder in aanvulling op wat de vertrouwensarts naar voren heeft gebracht nog te benadrukken dat [minderjarige 1] een waterhoofd heeft en dat dit ook is vastgesteld. Een val van een kind met een waterhoofd zou volgende de ouders een verhoogd risico op complicaties kunnen veroorzaken.
De moeder is de afgelopen drie weken niet van de zijde van [minderjarige 1] geweken. [minderjarige 1] lag al een week in het ziekenhuis voor hij op 16 oktober 2025 voorlopig ondertoezicht werd gesteld en er een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor hem werd uitgesproken. Er wordt momenteel heel erg toegespitst op het letsel van [minderjarige 1] en de ouders begrijpen dat, maar er zijn andere omstandigheden die meewegen. [minderjarige 1] en zijn tweelingbroer [minderjarige 2] zijn te vroeg geboren en de bevalling is erg heftig geweest voor zowel de ouders als de kinderen. Begin september is [minderjarige 1] buiten bewustzijn geraakt in de armen van de vader. De ouders hebben destijds bij de ambulancebroeders aangedrongen om [minderjarige 1] verder te laten onderzoeken. Hierna is [minderjarige 1] onderzocht in het Fransiscus Gasthuis. Destijds is vocht in zijn hoofd geconstateerd, maar ook besloten te wachten met het maken van een MRI-scan. Op aandringen van de moeder is [minderjarige 1] op 6 oktober 2025 doorverwezen voor een MRI-scan van het hoofd. Hierbij werd een bloeding vastgesteld. De zorgen over [minderjarige 1] lopen dus al langer en de ouders zijn altijd proactief bezig geweest om deze zorgen te verhelpen. De moeder is in het verleden al een kind verloren aan wiegendood en de ouders zijn daarom extra voorzichtig met de kinderen. De moeder heeft voor die (traumatische) ervaring hulp gezocht. De twee jongsten slapen bij de ouders en de twee oudsten hebben een eigen kamer met camera toezicht. De ouders werken sinds de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] aan alles mee en stellen zich open voor de hulpverlening. Een spoedmachtiging uithuisplaatsing mag alleen worden verleend als er sprake is van een ernstige en acute bedreiging waarbij geen andere minder ingrijpende maatregel volstaat. Hiervan is in deze zaak geen sprake volgens de ouders. Bij [minderjarige 2] is een afwijking gevonden, maar deze wordt nog onderzocht, bij [minderjarige 3] is niets gevonden en de oorzaak van het letsel van [minderjarige 1] kunnen we ook nog niet achterhalen. De ouders wachten op de inzet van de ASH (ambulante spoedhulp) en het vier-ogen-principe heeft de afgelopen weken goed gewerkt. De ouders zien de meerwaarde van een plaatsing van de kinderen bij oma (mz) daarom niet in. De ouders hebben ter zitting aangegeven dat als de kinderen bij de ouders mogen blijven, oma mz bij hen intrekt. De Ouders willen graag de kans krijgen om met inzet van ASH en het vier-ogen-principe de kinderen thuis te houden. Primair verzoeken de ouders daarom om een minder ingrijpende maatregel, mocht de rechtbank dit anders zien dan verzoeken de ouders subsidiair alleen [minderjarige 1] binnen het netwerk te plaatsen en de andere kinderen bij de ouders te laten. Mochten de verzoeken van de Raad toegewezen worden, dan zullen de ouders aan alles meewerken.

5.De beoordeling

Ten aanzien van het verzoek om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht te stellen:
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter stelt voorop dat zij zich, net als de Raad en de GI, veel zorgen maakt over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Alle drie de kinderen zijn nog erg jong en volledig afhankelijk van hun opvoeders en verzorgers. Bij [minderjarige 1] is een fractuur in zijn rib gesignaleerd evenals twee bloedophopingen aan de linker en rechterkant van zijn schedel en forse bloedingen in het netvlies van beide ogen. Door de vertrouwensartsen is vastgesteld dat de combinatie van de letsels op dit moment meer bij toegebracht letsel dan bij een medische verklaring of accidenteel letsel past. Onduidelijk is echter door wie dit letsel dan is toegebracht en waar [minderjarige 1] dit letsel heeft opgelopen. Een ongeluk of medische/genetische oorzaak van het letsel kan daarbij op dit moment nog niet (geheel) worden uitgesloten.
5.3.
Hoewel nog niet kan worden vastgesteld wat de toedracht van het letsel van [minderjarige 1] is geweest, is het letsel op zichzelf al reden genoeg om goed onderzoek te doen en hulpverlening in te zetten. Het is daarom ook in het belang van de veiligheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk dat er, net als bij [minderjarige 1] , bij hen ook een jeugdbeschermer betrokken raakt die de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kan monitoren. Daarom zal de kinderrechter ook [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht stellen voor de duur van drie maanden. Hiertegen is ter zitting ook geen verweer gevoerd en het is positief dat de ouders hebben aangegeven aan alle hulp en toezicht mee te zullen werken.
Ten aanzien van de verzoeken strekkende tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] :
5.4.
De kinderrechter acht het verder van belang dat er zo spoedig als mogelijk eerst meer duidelijkheid komt over de situatie, voordat er verdere conclusies kunnen worden getrokken. Een spoeduithuisplaatsing, zeker als het gaat om zeer jonge kinderen (waarvan twee pas geboren baby’s), is een zeer verstrekkende maatregel, die inbreuk maakt op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Mensenrechten gewaarborgde recht op respect voor het gezinsleven. Deze inbreuk kan slechts worden gerechtvaardigd indien op grond van deugdelijk onderzoek komt vast te staan dat er in het gezin sprake is van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van het kind, die tot uithuisplaatsing noopt of als er sprake is van een dermate acute bedreiging van het kind dat dit onderzoek niet kan worden afgewacht.
5.5.
De kinderrechter stelt vast dat de ouders, zoals zij ter zitting onweersproken hebben gesteld, sinds de melding bij Veilig Thuis alle aangeboden hulpverlening hebben geaccepteerd. Bij de ouders thuis geldt een vier-ogen-principe en ter zitting hebben zij aangegeven dat de oma (mz) bij hen zal intrekken om dit principe te garanderen en de veiligheid van de kinderen verder te waarborgen. Ambulante spoedhulp is nog niet bij het gezin betrokken. De kinderrechter is zodoende van oordeel dat de veiligheid van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met de aanwezigheid van de oma (mz), het vier-ogen-principe (wat op ieder moment van de dag geldt) en de (hopelijk) spoedige start van de ambulante spoedhulp op dit moment voldoende gewaarborgd is en zij zodoende niet acuut in gevaar zijn. De verzoeken van Raad ten aanzien van de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen zal gelet op het voorgaande daarom worden afgewezen. De komende periode moet worden gebruikt om meer duidelijkheid te krijgen over de vermoedens van het letsel en de opvoedomgeving van alle drie de kinderen bij de ouders. De Raad zal daartoe zijn onderzoek starten en rapporteren.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In het verzoek met zaaknummer C/10/709448 / JE RK 25-2255:
6.1.
stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 31 oktober 2025 tot 31 januari 2026;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af;
In het verzoek met zaaknummer C/10/708497 / JE RK 25-2128:
6.3.
wijst het resterende en gewijzigde verzoek van de Raad af;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. H. Mol, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier en op schrift gesteld op 14 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW.