Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer [persoon A] , partner van verzoekster;
- mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekster.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft verzoekster op 22 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 287b van de Faillissementswet, waarin zij vroeg om een voorlopige voorziening. Dit verzoek volgde op een eerder toegewezen moratorium van vier maanden. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift meerdere keren uitgesteld, onder andere omdat verzoekster zich ziek meldde. Tijdens de zitting op 13 oktober 2025 werd de advocaat van verzoekster gehoord, die stelde dat verzoekster in staat was om de huurtermijnen te voldoen, ondanks een achterstand. Verzoekster had een netto inkomen van ongeveer € 2.400 per maand en haar partner, die als zelfstandige werkt, zou binnenkort een pensioen ontvangen. De advocaat voerde aan dat er voldoende inkomen was om de huur van € 1.464,20 per maand te betalen en dat er slechts één schuldeiser was, de verhuurder.
Verweerster, de verhuurder, betwistte het verzoek en stelde dat de huurtermijnen over de maanden juli, augustus en september 2025 te laat waren voldaan en dat de huur over oktober 2025 onbetaald was gelaten. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een bedreigende situatie, maar dat het verzoek om een voorlopige voorziening moest worden afgewezen. De rechtbank concludeerde dat het onvoldoende aannemelijk was dat de lopende huurtermijnen konden worden voldaan en dat verzoekster de periode van het eerder toegewezen moratorium niet had gebruikt om een regeling met haar schuldeiser te treffen. De rechtbank verklaarde verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen.