ECLI:NL:RBROT:2025:13675

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
C/10/709232 / FA RK 25-8263
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 WvggzWet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken tot zorgmachtiging wegens ontbreken stoornis in de zin van de Wvggz

De officier van justitie heeft twee verzoeken tot zorgmachtiging ingediend voor betrokkene, geboren in 2003, vanwege vermoedelijke psychische problematiek. De rechtbank heeft op 11 november 2025 de verzoeken behandeld, waarbij betrokkene, zijn advocaat, zijn moeder en behandelaren van de GGZ aanwezig waren.

Betrokkene gaf aan dat het goed met hem gaat, hij medicatie gebruikt en werkt, terwijl zijn moeder en behandelaren ernstige zorgen uitten over zijn gedrag, medicatiegebruik en verslaving. De behandelaren constateerden geen psychotische stoornis in de zin van de Wvggz, maar wel een psychotische kwetsbaarheid en verslavingsproblematiek die niet onder de Wvggz valt.

De rechtbank concludeerde dat de criteria voor verplichte zorg op grond van de Wvggz niet zijn vervuld omdat er geen stoornis in de zin van de wet aanwezig is. Hoewel er sprake is van ernstige problematiek, biedt de Wvggz hiervoor geen oplossing. Daarom werden de verzoeken tot zorgmachtiging afgewezen.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank wijst de verzoeken tot zorgmachtiging af wegens het ontbreken van een stoornis in de zin van de Wvggz.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/709232 / FA RK 25-8263
Referentienummer: ZM/IND/181877
en
Zaak-/rekestnummer: C/10/705577 / FA RK 25-6478
Referentienummer: ZM/IND/178098
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 11 november 2025 betreffende een zorgmachtiging in aansluiting op een voortzetting crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:11 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 2003, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. G.A.J. Purperhart te Rotterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure C/10/709232 / FA RK 25-8263
blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 29 oktober 2025.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • de medische verklaring opgesteld door [psychiater] , psychiater, van 22 oktober 2025;
  • de zorgkaart van 8 oktober 2025;
  • het zorgplan van 19 september 2025;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
  • de relevante strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene.
1.2.
Het verloop van de procedure C/10/705577 / FA RK 25-6478, blijkt uit de beschikking van 12 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken. Uit die beschikking blijkt dat de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging heeft verleend voor de duur van twee maanden, namelijk tot en met 12 november 2025 en het verzoek voor het overige heeft aangehouden.
Op 29 oktober 2025 heeft de officier van justitie een nieuw verzoek voor de afgifte van een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene ingediend. Bij het verzoek van 29 oktober 2025 heeft de officier van justitie verzocht om de resterende termijn van het eerdere verzoek af te wijzen en het nieuwe verzoek in behandeling te nemen en toe te wijzen.
De mondelinge behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden bij betrokkene thuis op 11 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
  • [verpleegkundige 1] , verpleegkundige en [verpleegkundige 2] , verpleegkundige, beiden verbonden aan [GGZ] (hierna: de behandelaren).
De moeder van betrokkene was in de ruimte waar het gesprek plaatsvond aanwezig, zich erop beroepende dat het haar woning was en het haar niet kon worden verboden daar aanwezig te zijn.

2.Beoordeling

2.1.
Betrokkene heeft ter zitting verteld dat het prima met hem gaat, hij is gestopt met blowen en neemt zijn medicatie in. Hij werkt ongeveer 20 uur per week als boekhouder in het bedrijf van zijn vader. Betrokkene heeft eens per week of per twee weken een gesprek met een behandelaar van de GGZ. Gisteren is hem voor het eerst gevraagd of hij zich wilde laten testen op het gebruik van cannabis, maar dat heeft hij geweigerd. De moeder van betrokkene heeft ter zitting desgevraagd verteld dat het helemaal niet goed gaat met betrokkene en dat dat de reden is dat zij van hem de zitting niet mag bijwonen. Betrokkene heeft zijn medicatie nog nooit genomen en heeft weer geblowd. Ook werkt hij al drie weken niet. De moeder maakt zich grote zorgen.
2.2.
De behandelaar heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat het in de eerste zes weken van de afgelopen twee maanden redelijk met betrokkene ging. De gesprekken met hem zijn wel altijd moeizaam verlopen, hij is erg kortaf in zijn antwoorden, maar er werd geen psychotisch ontregeld beeld waargenomen. Er zijn afspraken gemaakt over het nemen van medicatie en het niet blowen. De behandelaren hebben daar zoveel mogelijk in geloofd en kregen berichten van de ouders dat het goed ging. Het was niet zeker of betrokkene zijn medicatie daadwerkelijk innam. Anderhalf tot twee weken geleden kwam er een omslag in het gedrag van betrokkene. Hij was erg boos, maar het beeld was niet goed te verklaren want er werd geen psychotisch beeld waargenomen. Er kwamen signalen van de vader dat betrokkene geblowd zou hebben en dat zijn medicatie in de prullenbak zou zijn aangetroffen. Er zijn veel problemen in de thuissituatie en de ouders lijden hier erg onder. Het idee bestaat echter betrokkene hier geen last van ervaart. Hij wil geen gesprekken aangaan met de behandelaren over de situatie. Er zijn flinke zorgen, maar er wordt geen psychotisch beeld waargenomen. Betrokkene heeft aangegeven dat hij zal stoppen met het nemen van medicatie als de zorgmachtiging niet wordt verleend. De vraag is echter wel of een zorgmachtiging het juiste instrument in deze situatie is. Het lijkt er op dat gedragsproblemen bij betrokkene op de voorgrond staan. Deze zijn goed te behandelen, maar dat is alleen mogelijk in het vrijwillig kader. Het is wel duidelijk dat betrokkene een psychotische kwetsbaarheid heeft. De eerdere psychotische ontregeling was niet alleen te wijten aan het gebruik van cannabis. Als betrokkene blijft gebruiken bestaat de kans dat hij schizofrenie ontwikkelt. Er is op dit moment geen psychotische stoornis in de zin van de Wvvgz. Er speelt nu wel een verslavingsstoornis, maar deze is niet te kwalificeren als een verslaving in de zin van de Wvggz.
2.3.
De advocaat heeft ter zitting, ten behoeve van de resterende termijn van het verzoek van de officier van justitie ingediend dd. 22 augustus 2025, verzocht om het verzoek af te wijzen en verzoekt om vandaag het nieuwe verzoek te beoordelen ingediend op 29 oktober 2025. Iedereen heeft het beste met betrokkene voor. Zijn moeder maakt zich grote zorgen. De behandelaar heeft echter gemotiveerd verklaard waarom er bij betrokkene geen sprake is van een stoornis in de zin van de Wvggz. Er is sprake van gedragsproblematiek bij hem en ter behandeling van deze problematiek is geen zorgmachtiging nodig. Het gaat daarnaast momenteel om een psychotische kwetsbaarheid, die in de toekomst eventueel een stoornis in de zin van de Wvggz zou kunnen worden. De advocaat vraagt om afwijzing van het verzoek vanwege het ontbreken van een stoornis in de zin van de Wvggz.
2.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Er zijn veel zorgen omtrent betrokkene. Deze worden ook gezien door de behandelaren. Desgevraagd - en bij herhaling - is tijdens de mondelinge behandeling door de behandelaren aangegeven dat de stoornis die eerder is gezien en ook in de medische verklaring van 22 oktober 2025 wordt omschreven als “een psychotische stoornis grotendeels in remissie”, niet meer wordt gezien. Wel is er nog sprake van een psychotische kwetsbaarheid, maar dat is geen stoornis in de zin van de Wvggz, aldus de behandelaren. Dat de onafhankelijk psychiater op 22 oktober 2025, 20 dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling, heeft vastgesteld dat de psychotische stoornis grotendeels in remissie (en dus nog deels aanwezig) is, is niet in tegenspraak met hetgeen door de behandelaren tijdens de mondelinge behandeling is aangegeven. Zeer wel denkbaar is immers dat de afname van de aanwezigheid van die stoornis zich heeft voortgezet en zo heeft geleid tot de conclusie dat die stoornis, ten tijde van de mondelinge behandeling, niet meer aanwezig was. Wel is er sprake van een verslavingsstoornis maar deze is niet van zodanige aard dat deze te kwalificeren is als een verslavingsstoornis in de zin van de Wvggz nu er geen sprake is van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen stoornis in de zin van de Wvggz bij betrokkene kan worden vastgesteld. Dat betekent dat er ook geen machtiging op grond van die wet kan worden afgegeven. Het betekent niet dat er geen (ernstige) problematiek bij betrokkene aanwezig is, maar die problematiek is kennelijk van andere aard. Een aard waarvoor de Wvggz geen oplossing biedt. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat niet is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De verzoeken worden daarom afgewezen.

3.Beslissing

De rechtbank:
wijst afhet verzoek ingediend onder onder zaak-/rekestnummer: C/10/709232 / FA RK 25-8263;
en
wijst afhet resterende verzoek bekend onder zaak-/rekestnummer: C/10/705577 / FA RK 25-6478.
Deze beschikking is op 11 november 2025 mondeling gegeven door mr. J. van Driel, rechter, in tegenwoordigheid van A. van Voorden, griffier op 19 november 2025 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.