Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mr. S. Ouald Chaib, advocaat van verzoekster;
- [naam 1], verweerster;
- [naam 2], werkzaam bij Inkassier (hierna: deurwaarder);
- mevrouw J. Boucet, maatschappelijk werkster van verweerster.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om uitvoering van een ontruimingsvonnis te voorkomen. Zij was in verzet gekomen tegen een verstekvonnis dat haar verplichtte tot ontruiming en betaling van huurachterstanden. De huurachterstand tot augustus 2025 was door de gemeente voldaan, maar de lopende huur over september tot en met november 2025 bleef onbetaald.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie, aangezien de ontruiming gepland staat en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De wet beoogt met het moratorium een adempauze te bieden om een schuldregelingstraject mogelijk te maken. In dit geval is echter geen bewijs van een lopend minnelijk traject of budgetbeheer geleverd.
Daarnaast heeft de verhuurder een zwaarwegend belang bij ontruiming, omdat zij zelf de woning wil betrekken na beëindiging van haar eigen huurcontract wegens betalingsproblemen, mede veroorzaakt door de wanbetaling van verzoekster. Gezien het ontbreken van een schuldregeling en de niet-betaalde lopende huur, weegt het belang van de verhuurder zwaarder.
De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw. Verzoekster kan te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Fw wordt afgewezen en verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.