ECLI:NL:RBROT:2025:13673

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1974 – FT RK 25/1975
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 FwArt. 305 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing moratoriumverzoek wegens ontbreken schuldregeling en lopende huurachterstand

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om uitvoering van een ontruimingsvonnis te voorkomen. Zij was in verzet gekomen tegen een verstekvonnis dat haar verplichtte tot ontruiming en betaling van huurachterstanden. De huurachterstand tot augustus 2025 was door de gemeente voldaan, maar de lopende huur over september tot en met november 2025 bleef onbetaald.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie, aangezien de ontruiming gepland staat en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De wet beoogt met het moratorium een adempauze te bieden om een schuldregelingstraject mogelijk te maken. In dit geval is echter geen bewijs van een lopend minnelijk traject of budgetbeheer geleverd.

Daarnaast heeft de verhuurder een zwaarwegend belang bij ontruiming, omdat zij zelf de woning wil betrekken na beëindiging van haar eigen huurcontract wegens betalingsproblemen, mede veroorzaakt door de wanbetaling van verzoekster. Gezien het ontbreken van een schuldregeling en de niet-betaalde lopende huur, weegt het belang van de verhuurder zwaarder.

De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw. Verzoekster kan te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Fw wordt afgewezen en verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 20 november 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 30 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 november 2025.
Ter zitting van 13 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mr. S. Ouald Chaib, advocaat van verzoekster;
  • [naam 1], verweerster;
  • [naam 2], werkzaam bij Inkassier (hierna: deurwaarder);
  • mevrouw J. Boucet, maatschappelijk werkster van verweerster.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van drie maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster is per 1 maart 2025 een huurcontract aangegaan met verweerster. Over de maanden juni tot en met september 2025 had verzoekster geen inkomen waardoor zij de verschuldigde huurtermijnen over deze maanden niet heeft kunnen voldoen. Verweerster heeft verzoekster op 8 augustus 2025 gedagvaard en gevorderd om de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en verzoekster te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand tot en met augustus 2025, rente en (buiten)gerechtelijke kosten. Op 18 september 2025 is door de kantonrechter een verstekvonnis gewezen waarin de huurovereenkomst is ontbonden en verzoekster is veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand tot en met augustus 2025, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Verzoekster is op 23 oktober 2025 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis van 18 september 2025. Verzoekster betwist de huurachterstand niet, maar maakt bezwaar tegen de rente en (buiten)gerechtelijke kosten. Verzoekster zou maar één brief hebben ontvangen. Verzoekster is gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft zich bij de gemeente Rotterdam aangemeld voor de brede ondersteuning. In dit kader is een wijkcoach bij verzoekster betrokken en is de in het verstekvonnis van 18 september 2025 toegewezen huurachterstand (berekend tot en met augustus 2025), inclusief rente en buitengerechtelijke kosten, van € 3.357,89 op 30 oktober 2025 voldaan door de gemeente Rotterdam. Ook is verzoekster op 30 september 2025 aangemeld bij Geldplein voor ondersteuning bij het beheer van haar inkomsten en uitgaven. Verzoekster ontvangt ondertussen een WW-uitkering en is in afwachting van de beslissing op haar aanvraag huurtoeslag. Verzoekster is financieel in staat de lopende huur te betalen. Verzoekster was in de veronderstelling dat de lopende huurtermijnen ook door de gemeente zouden worden voldaan.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Door de deurwaarder is bevestigd dat de huurachterstand tot en met augustus 2025 (inclusief de rente) en de buitengerechtelijke kosten zijn betaald. De proceskosten zijn niet betaald. Ook is er een nieuwe huurachterstand ontstaan. Verzoekster heeft de verschuldigde huurtermijnen over de maanden september 2025 tot en met november 2025 niet betaald. Uit de brief van de gemeente Rotterdam van 30 september 2025 en de verklaring van de wijkcoach van 6 november 2025 blijkt dat verzoekster zelf de vaste lasten moet betalen. Dit heeft zij niet gedaan. Door het betaalgedrag van verzoekster heeft verweerster nu zelf betaalproblemen. Deze betaalproblemen hebben geleid tot beëindiging van haar huurcontract in België waardoor zij genoodzaakt is om zelf het gehuurde aan de [adres] te betrekken.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 2 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 5 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. Door verzoekster is weliswaar verzet ingesteld, maar het verstekvonnis van 18 september 2025 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de deurwaarder heeft aangegeven dat er, gelet op de belangen van verweerster (die zelf de woning wenst te betrekken), geen pas op de plaats zal worden gemaakt.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij, samen met haar minderjarige kinderen, in de huurwoning kan blijven wonen en dat een minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 18 september 2025 ten uitvoer kan leggen en dat zij weer zelf over de woning kan beschikken en daarin intrek kan nemen, nu haar eigen huurcontract is beëindigd door betalingsproblemen.
De verzochte voorziening is bedoeld ter ondersteuning van het voor een Wsnp-verzoek vereiste minnelijke traject, dat dient te worden uitgevoerd door een instantie die bevoegd is op grond van de Wet op het consumentenkrediet. Het ontruimingsvonnis kan bovendien alleen worden opgeschort voor de duur van de voorziening als de lopende verplichtingen gedurende die voorziening worden voldaan (artikel 287b jo. 305 lid 2 Fw). In dit geval is noch van het een noch van het ander gebleken. Weliswaar is verzoekster aangemeld bij Geldplein; dat traject is op dit moment slechts gericht op ondersteuning van inkomensbeheer en stabilisatie van de financiën. Dat er een schuldregelingstraject is of wordt gestart door de gemeente, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat er daadwerkelijk budgetbeheer is ingesteld door de gemeente. Uit het bericht van de gemeente van 6 november 2025 volgt dat verzoekster haar inkomsten zelf dient te beheren. In de maanden september, oktober en november 2025 is er geen huur betaald. Dat betekent dat er sinds het vonnis van september 2025 nieuwe achterstanden zijn ontstaan. De oorspronkelijke hoofdsom is op 30 oktober 2025 weliswaar ingelost via de gemeente, maar de lopende verplichtingen worden niet voldaan. Tegen deze achtergrond, ziet de rechtbank geen ruimte voor het toewijzen van een voorziening op grond van artikel 287b Fw. Daarbij komt dat in dit geval niet alleen verzoekster en haar kinderen een zwaarwegend belang hebben bij het kunnen verblijven in de woning. Verweerster heeft ook een zwaarwegend belang bij het kunnen ontruimen van de woning. Zij heeft er belang bij de woning zelf te kunnen betrekken nadat haar eigen huurcontract na betalingsproblemen (mede veroorzaakt door de wanbetaling zijdens verzoekster) is beëindigd. Mede tegen de achtergrond van het feit dat niet is gebleken van een lopend minnelijk traject en dat de lopende huur nog altijd niet wordt voldaan, is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu naar verwachting niet op korte termijn een minnelijk traject zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.