ECLI:NL:RBROT:2025:13672

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1972 – FT RK 25/1973
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 288 lid 1 onder b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing moratoriumverzoek en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende aannemelijkheid en inzet

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b Faillissementswet om uitvoering van een ontruimingsvonnis te voorkomen. Verzoeker ontvangt een maandelijks inkomen van €3.000 uit eigen onderneming en heeft de lopende huurtermijn voor november 2025 voldaan. Echter, de rechtbank constateert dat verzoeker sinds mei 2025 geen betalingen heeft gedaan op de huurachterstand en van juni tot oktober 2025 de huurtermijnen niet heeft voldaan.

Verweerster voert aan dat verzoeker de afspraken uit het ontruimingsvonnis niet is nagekomen en dat het verzoek misbruik van recht betreft, bedoeld om uitstel van ontruiming te verkrijgen. Ook is er geen concreet uitzicht op een duurzame schuldregeling. Verzoeker is niet verschenen bij de zitting en heeft slechts eenmaal contact gehad met een schuldhulpverlener zonder concreet plan.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming, maar dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verzoeker de lopende termijnen kan en zal voldoen. Ook is onvoldoende overtuigend dat verzoeker zich zal inspannen voor een oplossing van zijn problematische schuldensituatie. Het belang van verweerster om uitvoering van het vonnis te kunnen realiseren weegt zwaarder dan het belang van verzoeker. Daarom wordt het moratoriumverzoek afgewezen en verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank wijst proceskostenveroordeling af gezien de omstandigheden.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 20 november 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 30 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 november 2025.
Ter zitting van 13 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
- mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker (hierna: advocaat).
Verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Van Houwelingen & Partners heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker ontvangt inkomen uit zijn eigen onderneming van € 3.000,00 per maand. Het inkomen van verzoeker is ruimschoots voldoende om de lopende huurtermijn van € 646,39 te voldoen. De huurtermijn voor de maand november 2025 is voldaan. Verzoeker heeft zich op 30 oktober 2025 aangemeld bij Zuidweg & Partners. De advocaat heeft ter zitting meegedeeld dat Zuidweg & Partners kort voor de zitting aan hem heeft laten weten dat de boekhouding van verzoeker eerst in orde gemaakt zal moeten worden. Daarna zal gekeken worden of een BBZ-krediet aangevraagd kan worden. Als dat niet kan, dan zal conform de NVVK-norm een spaarregeling van achttien maanden via de gemeente opgestart worden.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen met een veroordeling van verzoekster in de kosten. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft sinds maart 2023 veelvoudig nagelaten de verschuldigde huurtermijnen te voldoen. Bij vonnis van 29 mei 2024 heeft de kantonrechter de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde uitgesproken. Na aanzegging van de ontruiming op 10 juni 2024 heeft verzoeker een moratorium aangevraagd. Partijen hebben overleg gevoerd met als resultaat dat de ontruiming is opgeschort. De tussen partijen overeengekomen afspraken zijn opgenomen in het vonnis van 30 augustus 2024. Verzoeker is deze afspraken niet nagekomen. Verzoeker heeft de huurachterstand opnieuw laten oplopen door de huurincasso van de maand september 2024 te storneren en voor de maand oktober 2024 € 31,76 te weinig aan huur over te maken. Vanaf mei 2025 is niet meer afgelost op de huurachterstand en van juni 2025 tot en met oktober 2025 zijn de lopende huurtermijnen niet voldaan. In het verzoekschrift wordt vermeld dat verzoeker ruimschoots aan de lopende huurverplichtingen kan voldoen, toch wordt de huur nu pas per november 2025 weer voldaan. Er is dus geen sprake van goede trouw in de zin van artikel 288 lid 1 onder Pro b Fw. Daarnaast is sprake van misbruik van recht/oneigenlijk gebruik van de regeling. Het ingediende verzoek lijkt enkel te zijn bedoeld om uitstel van de ontruiming te bewerkstelligen. Het verzoek is pas gedaan nadat het ontruimingsvonnis geëxecuteerd dreigt te worden, terwijl verzoeker eerder de gelegenheid heeft gehad om zijn financiële problemen te regelen. Tot slot is er geen uitzicht op een duurzame oplossing. Voor zover bekend is er geen concreet zicht op toelating tot de WSNP, een reëel saneringsvoorstel of inkomen waarmee verzoeker structureel aan zijn verplichtingen kan voldoen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 9 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 4 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij met zijn partner en kinderen in de huurwoning kan blijven wonen en dat een minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 30 augustus 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt volgens het verzoekschrift inkomen uit zijn eigen onderneming van € 3.000,00 per maand. Dit inkomen zouden voldoende moeten zijn om de lopende huurtermijnen van € 646,39 te voldoen. Niet is gesteld of gebleken dat verzoeker een tijd geen inkomen heeft gehad en daardoor de lopende huurtermijnen niet kon voldoen. Verzoeker heeft de lopende huurtermijnen over de periode juni 2025 tot en met oktober 2025 niet voldaan. De huur voor de maand november 2025 heeft verzoeker op aandringen van de advocaat voldaan. Daarnaast is de rechtbank niet voldoende overtuigd dat verzoeker zich zal inspannen om een oplossing te vinden voor zijn gestelde problematische schuldensituatie. Verzoeker is niet ter zitting verschenen. Verzoeker heeft zich tot nu toe enkel op 30 oktober 2025 gemeld bij Zuidweg & Partners. Na de aanmelding is er geen contact meer geweest tussen verzoeker en Zuidweg & Partners. Van een concreet plan is op dit moment dus geen sprake. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
De rechtbank ziet, mede gelet op de aard van deze procedure, geen aanleiding om de door verweerster verzochte proceskostenveroordeling toe te wijzen. In het algemeen moet men met een dergelijk verzoek met de nodige voorzichtigheid omgaan, alleen al vanwege de reeds bestaande schuldpositie van verzoeker. Daarnaast kan niet gezegd worden dat verzoeker haar bevoegdheden tot het vragen van een moratorium evident heeft aangewend voor een oneigenlijk doel.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.