Verzoeker heeft op 23 oktober 2025 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet tot het treffen van een voorlopige voorziening die de ontruiming van zijn huurwoning zou moeten voorkomen. De rechtbank Rotterdam heeft op 19 november 2025 uitspraak gedaan na een zitting op 10 november 2025 waarbij verweerster niet is verschenen maar een verweerschrift heeft ingediend.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie omdat het proces-verbaal tot ontruiming van 5 juli 2024 en het exploot van 4 augustus 2025 tot uitvoering van ontruiming op 30 oktober 2025 zijn overgelegd. De wet beoogt met het moratorium een adempauze te bieden om een regeling met schuldeisers te treffen. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidt tot toewijzing van de voorziening, mede omdat de huurtermijn van november 2025 reeds voldaan is en sinds 28 oktober 2025 beschermingsbewind geldt.
De voorziening geldt voor zes maanden vanaf 28 oktober 2025 en wordt gekoppeld aan de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid om een nieuw verzoek in te dienen. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.
De rechtbank benadrukt dat schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag moet uitbrengen over de buitengerechtelijke schuldregeling. De uitspraak is gedaan door rechter C. de Jong en griffier S.R.L.T. Peek op 19 november 2025.