ECLI:NL:RBROT:2025:13654

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1696 - FT RK 25/1697
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening in faillissementszaak met betrekking tot huurbetalingen en schuldsanering

In deze zaak heeft verzoeker op 18 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 en 287b van de Faillissementswet (Fw) voor een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 22 oktober 2025 bepaald. Tijdens de zitting zijn zowel verzoeker als verweerster gehoord. Verzoeker, die in financiële problemen verkeert, heeft zich aangemeld bij schuldhulpverlening en heeft een uitkering aangevraagd op basis van de Participatiewet. De gemeente heeft een voorschot verstrekt, en er is budgetbeheer ingesteld om ervoor te zorgen dat de huur tijdig wordt betaald. Verweerster heeft echter aangegeven dat de huur sinds juli 2025 niet meer is betaald en dat er een ontruimingsvonnis van 9 november 2022 is. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie voor verzoeker, wat aanleiding geeft tot het toewijzen van de voorlopige voorziening. De rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van verzoeker om in de huurwoning te blijven zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het ontruimingsvonnis ten uitvoer te leggen. De voorlopige voorziening is toegewezen voor de duur van zes maanden, met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan in de toekomst een nieuw verzoek indienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
[rekestnummer 1] / FT RK 25/1696 - [rekestnummer 2] / FT RK 25/1697
uitspraakdatum: 10 november 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 18 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 19 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 22 oktober 2025.
Ter zitting van 22 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw C. Rodrigues, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Schuldhulpverlening heeft, namens verzoeker, de rechtbank op 28 oktober 2025 nader bericht.
Verweerster heeft de rechtbank op 29 oktober 2025 nader bericht.
De rechtbank heeft partijen op 5 november 2025 bericht dat het vonnis wordt aangehouden. Zij heeft verzoeker, en schuldhulpverlening, in de gelegenheid gesteld om op uiterlijk
7 november 2025 te 12:00 nog aanvullende stukken aan de rechtbank te overleggen.
Schuldhulpverlening heeft, namens verzoeker, de rechtbank op 5 november 2025 nader bericht.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wil een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij schuldhulpverlening. Verzoeker heeft in september 2025 een uitkering aangevraagd op grond van de Participatiewet, maar is nog in afwachting van de beslissing. De gemeente heeft in afwachting daarop wel een voorschot toegekend. Verder is inmiddels budgetbeheer ingesteld. Daarmee wordt gewaarborgd dat de huur tijdig en volledig wordt voldaan. Op 28 oktober 2025 heeft schuldhulpverlening de huur van november voldaan, voor een bedrag van € 749,48. Het restant van de huur is voldaan op 30 oktober 2025.
In reactie op verweerster heeft verzoeker verklaard dat hij wel eerder een uitkering heeft aangevraagd. Deze was echter weer stoptgezet. Verzoeker heeft namelijk een aantal dagen gewerkt. Vervolgens heeft hij in september 2025 opnieuw een uitkering aangevraagd.

3.Het verweer

Verweerster hecht er belang bij dat de lopende huurtermijnen worden betaald. Het gaat dan, los van de lopende huurtermijnen, om de huur van november 2025 en de huur van oktober 2025. De huur wordt sinds juli 2025 niet meer betaald. Het is niet duidelijk waarom niet eerder dan september 2025 een uitkering is aangevraagd.
Verweerster heeft in haar bericht van 29 oktober 2025 bevestigd dat het bedrag van € 749,48 is ontvangen. Dit betreft echter niet de hele huur. De huur is namelijk verhoogd per juli 2025. De huur bedraagt € 777,69.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 29 augustus 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 23 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 november 2022 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft een uitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd. In afwachting op de definitieve beslissing is inmiddels vanuit de gemeente een voorschot toegekend. Daarmee heeft hij voldoende inkomsten om de lopende huur te voldoen. Bovendien is sprake van budgetbeheer. Daarmee wordt gewaarborgd dat de huur tijdig en volledig wordt voldaan. De huur van november 2025 is ook voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 9 november 2022 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [plaats] ( [postcode] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
19 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.