Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[verzoekster 1] ,
1.De procedure
- het verzoekschrift (ontvangen op 19 juni 2025), met bijlagen, en het begeleidend schrijven van 19 juni 2025;
- de mail van mr. De Bakker van 23 juni 2025, met bijlagen;
- het aanvullende verzoek van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] (ontvangen op 9 juli 2025), met bijlagen;
- de brief van 30 juli 2025 van mr. Ossentjuk met daarin een nieuw verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, met bijlagen;
- de mail van 31 juli 2025 van mr. De Bakker, met bijlagen;
- de tussenbeschikking van 5 augustus 2025;
- het verweerschrift, met bijlagen;
- de pleitaantekeningen van mr. Ossentjuk.
2.Waar gaat de zaak over?
- [verweerster] , [verzoekster 1] en [verzoekster 2] worden benoemd tot erfgenaam voor gelijke delen;
- [persoon A] wordt onterfd en aan hem wordt een bedrag gelegateerd gelijk aan de legitieme portie;
- [verweerster] wordt benoemd tot executeur van de nalatenschap zonder recht op loon;
- een afwikkelingsbewind wordt ingesteld over de kadastrale percelen en de daarop aangebrachte opstallen (waaronder de woning van vader), over de inkomsten uit huurovereenkomsten en over het saldo op een bankrekening;
- [verweerster] wordt benoemd tot afwikkelingsbewindvoerder met recht op een loon van € 1.000,00 netto per maand;
- aan [verweerster] wordt het zakelijk recht van gebruik en bewoning van de woning van vader gelegateerd voor een periode van tien jaar met bepaling dat [verweerster] hiervoor geen vergoeding is verschuldigd aan de nalatenschap, waarbij de erfgenamen de rente en aflossingen van de hypothecaire geldlening dragen.
3.De beoordeling
allebelangen. De kantonrechter volgt [verzoekster 1] en [verzoekster 2] dan ook niet in hun stellingen.
nute liquideren maar eerst de uitkomst van het traject af te wachten. De kantonrechter gaat verder voorbij aan de bezwaren en verweren van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] wat betreft de toelichting van [verweerster] over het bestemmingsplan en de vergunningen. Vast staat dat [verweerster] zich door een advocaat over die aspecten heeft laten adviseren en op basis daarvan heeft besloten vervolgstappen te zetten.
“[d]it bewind is ingesteld onder de ontbindende voorwaarde dat de afwikkelingsbewindvoerder zijn benoeming niet schriftelijk aanvaardt”. Het bewind vangt dus conform de wettelijke hoofdregel aan na zijn overlijden en eindigt volgens de ontbindende voorwaarde als de afwikkelingsbewindvoerder schriftelijk weigert de benoeming te aanvaarden. [verweerster] heeft daarin gelijk. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] worden niet gevolgd in hun lezing van het testament en de gevolgen die zij aan die verkeerde lezing verbinden. Het is niet zo dat het bewind pas aanvangt als de afwikkelingsbewindvoerder schriftelijk de benoeming heeft aanvaard. De bepalingen in het testament zijn hierover duidelijk. De door [verzoekster 1] en [verzoekster 2] aangevoerde omstandigheid dat vóórdat [verweerster] de benoeming als afwikkelingsbewindvoerder heeft aanvaard duidelijk was dat de huurinkomsten zullen wegvallen, maakt niet dat het bewind niet is aangevangen. Het is immers (al) aangevangen na het overlijden van vader.