ECLI:NL:RBROT:2025:13558

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
11550492 CV EXPL 25-3722
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een vergoeding voor juridische dienstverlening in een geschil tussen Leaseproces B.V. en een gedupeerden van effectenlease-producten

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 14 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Leaseproces B.V. en een gedaagde, die zelf procedeert. Leaseproces, vertegenwoordigd door mr. A. Frederiksen, vorderde betaling van € 1.155,23 aan hoofdsom, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De gedaagde had een overeenkomst met Dexia Bank Nederland B.V. voor een effectenlease-product, maar heeft deze niet geaccepteerd en zich gewend tot Leaseproces voor juridische dienstverlening. Leaseproces heeft een factuur van € 1.155,23 gestuurd, maar de gedaagde betwistte de hoogte van dit bedrag en weigerde te betalen. De kantonrechter oordeelde dat Leaseproces recht heeft op een beloning van € 342,17, maar dat de gevorderde hoofdsom van € 1.155,23 niet toewijsbaar is. De rechter wees ook de gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten af, maar kende de gedaagde het recht toe op inzage in zijn dossier en de stuitingsbrieven van Dexia. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat ieder partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11550492 CV EXPL 25-3722
datum uitspraak: 14 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Leaseproces B.V.,
vestigingsplaats: Amsterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. A. Frederiksen,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [plaats] , [gemeente] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Leaseproces’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 februari 2025, met bijlagen 1 tot en met 19;
  • het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen 0 tot en met 13;
  • de brief van [gedaagde] , met bijlage 14;
  • de akte van Leaseproces, met bijlagen 20 tot en met 23;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Leaseproces.
1.2.
Op 16 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met mr. Frederiksen en [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat het om?
2.1.
In het verleden hebben velen een overeenkomst gesloten met (een rechtsvoorganger van) Dexia Bank Nederland B.V. (hierna: Dexia) voor de afname van een effectenlease-product. Ook [gedaagde] . Het product bestond uit een lening, waarmee effecten werden aangekocht. Aan het einde van de looptijd diende de geleende hoofdsom te worden terugbetaald met de waarde van de effecten. Door tegenvallende koersresultaten zijn vele afnemers van dit product aan het einde van de looptijd geconfronteerd met flinke restschulden. Dat heeft geleid tot media-aandacht en onderzoek naar het product en de totstandkoming van de overeenkomsten. Dat heeft ook geleid tot vele procedures. Om dit in banen te leiden is op initiatief van Dexia en belangenbehartigers een collectieve regeling opgesteld, de zogenoemde Duisenberg-Regeling. Deze regeling bood in de meeste gevallen een korting op de ontstane restschuld van de afnemers. In die periode waren er echter ook al uitspraken door rechters gedaan die erop wezen dat afnemers recht hadden op een hogere
(schade)vergoeding.
2.2.
[gedaagde] heeft van Dexia een zogenoemd Acceptatieformulier Vaststellingsovereenkomst Duisenberg-Regeling, gedateerd 15 mei 2006, ontvangen. Op de achterzijde van het formulier staat het volgende over zijn persoonlijke situatie volgens de Duisenberg-Regeling:
[afbeelding]
2.3.
[gedaagde] is de vaststellingsovereenkomst niet aangegaan met Dexia, maar heeft zich gewend tot Leaseproces, die zich ten doel heeft gesteld om door middel van juridische dienstverlening de belangen van de gedupeerde afnemers van effectenlease-producten te behartigen.
2.4.
Leaseproces heeft [gedaagde] op 26 mei 2006 een offerte doen toekomen, die [gedaagde] diezelfde dag heeft aanvaard. In de offerte staat onder meer het volgende:
2.5.
[gedaagde] heeft € 196,- betaald aan Leaseproces, maar Leaseproces heeft dat bedrag niet aangewend ter voldoening van griffierecht.
2.6.
Op 20 april 2023 heeft Dexia aan [gedaagde] het aanbod gedaan voor een schikking met gesloten beurs ter afronding van de overeenkomst. Te kennen is gegeven dat Dexia de vordering van de totale openstaande post (restschuld - gecorrigeerd) ten bedrage van
€ 2.967,60 buiten invordering stelt.
2.7.
[gedaagde] heeft diezelfde dag het schikkingsaanbod van Dexia gemaild naar Leaseproces en te kennen gegeven er nog niet mee akkoord te zijn gegaan. Aan Leaseproces heeft hij het voorstel gedaan om onderling met gesloten beurzen af te rekenen omdat
“ik het laatste stukje na veel discussies met Dexia toch echt zelf heb gedaan”.
2.8.
[gedaagde] heeft het aanbod van Dexia van 20 april 2023 uiteindelijk aanvaard.
2.9.
Leaseproces heeft op 28 juni 2023 een factuur, en na bezwaar van [gedaagde] ertegen, op 30 november 2023 een aangepaste factuur aan [gedaagde] doen toekomen waarmee zij € 1.155,23 in rekening heeft gebracht voor haar werkzaamheden in de Dexia zaak, met het verzoek om het bedrag binnen veertien dagen te betalen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan en heeft aan Leaseproces meegedeeld het niet eens te zijn met de hoogte van het bedrag. Partijen hebben hierover met elkaar gecorrespondeerd, maar zijn er samen niet uitgekomen. [gedaagde] heeft volhard in zijn weigering het bedrag te betalen, ook na hiertoe te zijn aangemaand.
2.10.
Leaseproces eist - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van:
€ 1.155,23 aan hoofdsom, met de wettelijke rente daarover vanaf 2 februari 2025;
€ 84,51 aan vervallen rente tot en met 1 februari 2025;
€ 173,28 aan buitengerechtelijke kosten;
de proceskosten en nakosten.
2.11.
[gedaagde] is het daarmee niet eens en eist - samengevat en zo de kantonrechter begrijpt - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Leaseproces te veroordelen tot (terug)betaling aan hem van:
€ 196,- door hem aan Leaseproces betaald ter voldoening van griffierecht;
de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2006, te weten € 276,-, of anders vanaf 2023;
€ 390,- aan administratiekosten plus € 27,- aan wettelijke rente;
en Leaseproces ook te veroordelen tot:
4. verstrekking van inzage in zijn dossier;
5. overhandiging van alle stuitingsbrieven van Dexia aan hem;
6. het geven van een inhoudelijke reactie op de openstaande vragen omtrent de onjuiste overzichten met waarden waaraan geen geldende leaseovereenkomst ten grondslag ligt;
alsmede, indien de uiteindelijke restschuld van € 2.967,60 (kwijting) gezien wordt als een resultaat waar Leaseproces recht op zou hebben, Leaseproces te veroordelen tot:
7. een resultaatsberekening voor de overeenkomst tussen [gedaagde] en Leaseproces inclusief de gemaakte kosten NHG rente van -/- € 7.425,-.
2.12.
Leaseproces is het niet eens met de tegeneis van [gedaagde] .
Wat vindt de kantonrechter
Hoofdsom en rente
2.13.
De door Leaseproces geëiste hoofdsom van € 1.155,23 wordt niet toegewezen. Dat geldt ook voor de rente daarover van € 84,51. Toegewezen wordt € 146,17, met de wettelijke rente daarover op de wijze hieronder vermeld. Dit om de volgende redenen.
2.13.1.
Vast staat dat partijen op 26 mei 2006 zijn overeengekomen dat Leaseproces door middel van juridische dienstverlening zou proberen een voor [gedaagde] voordeliger regeling te realiseren dan hem door Dexia aangeboden was onder toepassing van de Duisenberg-Regeling. Dat is gebeurd op basis van “no cure no pay”. Afgesproken is dat Leaseproces bij een succesvolle uitkomst recht heeft op een beloning voor haar dienstverlening op basis van de formule vermeld in de door [gedaagde] aanvaarde offerte.
Afgesproken is ook dat [gedaagde] deze beloning eveneens verschuldigd is als met Dexia een schikking wordt getroffen. Zie 2.4. Deze afspraken binden beide partijen.
2.13.2.
Partijen zijn het erover eens dat het schikkingsaanbod van Dexia dat [gedaagde] in 2023 heeft aanvaard voordeliger is geweest dan het voorstel dat Dexia hem in 2006 heeft gedaan. De schikking met Dexia in 2023 heeft als resultaat gehad dat hij niets meer hoeft te betalen aan Dexia. Zie 2.6. Dat betekent dat Leaseproces recht heeft op beloning voor haar dienstverlening, zoals overeengekomen.
2.13.3.
Het geschil draait om de vraag wat het resultaat is geweest, het voordeel ten opzichte van het bemiddelingsvoorstel Duisenberg, waarover de beloning berekend wordt waarop Leaseproces recht heeft.
2.13.4.
De afspraak tussen partijen dwingt tot een vergelijking van de uitkomst van de schikking met Dexia in 2023 met het voorstel dat Dexia in mei 2006 heeft gedaan, te weten het voorstel vermeld in het Acceptatieformulier Vaststellingsovereenkomst Duisenberg-Regeling. Zie 2.2. Dat voorstel is reden geweest voor [gedaagde] om met Leaseproces in zee te gaan. Het gaat dus uitsluitend om een vergelijking met de situatie toen op basis van de bedragen die vermeld worden in het formulier. In het formulier wordt een restschuld van
€ 3.422,01 vermeld en (een indicatie van) de korting op de restschuld van nog lopende effectenlease-overeenkomsten van € 2.281,45 (dat is conform de Duisenberg-Regeling 2/3 van de restschuld, dus 66,67% van € 3.422,01). Na aftrek van de korting resteert van de restschuld € 1.140,56 (dat is het verschil van € 3.422,01 -/- € 2.281,45). Het bedrag van
€ 1.140,56 is dus wat [gedaagde] had moeten betalen als hij in mei 2006 het voorstel van Dexia conform de Duisenberg-Regeling had geaccepteerd. Door de inspanningen van Leaseproces heeft [gedaagde] uiteindelijk € 0,- hoeven te betalen aan Dexia. Het resultaat / het voordeel ten opzichte van het bemiddelingsvoorstel Duisenberg is dus geweest
€ 1.140,56 (het verschil van € 1.140,56 -/- € 0,-). Op grond van de afspraak tussen partijen dient over het resultaat van € 1.140,56 het percentage van 30% te worden toegepast, omdat het resultaat minder dan € 10.000,- is. Dat leidt tot het bedrag van € 342,17 aan beloning waarop Leaseproces recht heeft.
2.13.5.
Erkend is dat op voormeld bedrag van € 342,17 in mindering strekt het bedrag van
€ 196,- dat [gedaagde] aan Leaseproces betaald heeft ter voldoening van griffierecht, maar daarvoor niet gebruikt is. Dan blijft het bedrag van € 146,17 over dat wordt toegewezen.
2.13.6.
Omdat [gedaagde] de geëiste hoofdsom van € 1.155,23 niet verschuldigd is, klopt de rente van € 84,51 niet die Leaseproces hierover berekend heeft. Toegewezen wordt de wettelijke rente over € 146,17 op de wijze hieronder vermeld, omdat met deze uitspraak pas duidelijk wordt wat [gedaagde] moet betalen aan Leaseproces.
2.13.7.
Gelet op deze uitkomst wordt het bedrag van € 196,- niet separaat toegewezen aan [gedaagde] , want het bedrag is al verrekend met de beloning waarop Leaseproces aanspraak heeft. De door [gedaagde] geëiste rente over het bedrag wordt ook niet toegewezen, omdat niet gesteld is dat Leaseproces wat betreft de terugbetaling van het bedrag van € 196,- in verzuim is komen te verkeren.
Afwijzing buitengerechtelijke kosten van Leaseproces
2.14.
De door Leaseproces geëiste buitengerechtelijke kosten van € 173,28 worden niet toegewezen, omdat deze zijn berekend over een te hoog bedrag aan hoofdsom.
Afwijzing administratiekosten / buitengerechtelijke kosten van [gedaagde] met rente
2.15.
De door [gedaagde] geëiste administratiekosten / buitengerechtelijke kosten van
€ 390,- worden niet toegewezen, omdat de kosten niet redelijk worden geacht. Dat lot treft ook het bedrag van € 27,- aan rente over de kosten. [gedaagde] is terecht opgekomen tegen de door Leaseproces gefactureerde bedragen, maar niet alle door hemzelf verrichte werkzaamheden zijn redelijkerwijs noodzakelijk geweest gelet op wat partijen verdeeld heeft gehouden. Daarbij komt dat de omvang van de kosten niet redelijk zijn nu [gedaagde] de werkzaamheden in eigen hand gehouden heeft.
Toewijzing eisen 4 en 5 van [gedaagde]
2.16.
De door [gedaagde] geëiste veroordeling van Leaseproces tot verstrekking van inzage in zijn dossier en overhandiging van alle stuitingsbrieven van Dexia aan hem wordt toegewezen. Anders dan Leaseproces meent, staat het [gedaagde] vrij om dit te eisen in deze procedure. Partijen hebben hierover geen afspraken gemaakt, maar het is redelijk dat [gedaagde] inzage krijgt in zijn dossier en ook dat hij de stuitingsbrieven krijgt. In redelijkheid kan niet van [gedaagde] worden verlangd dat hij, zoals Leaseproces aanvoert, te kennen geeft welke specifieke stukken hij wil inzien. Dat kan namelijk lastig zijn als je niet precies bekend bent met de inhoud van het dossier.
Afwijzing eis 6 van [gedaagde]
2.17.
De door [gedaagde] geëiste veroordeling van Leaseproces tot het geven van een inhoudelijke reactie op de openstaande vragen omtrent de onjuiste overzichten met waarden waaraan geen geldende leaseovereenkomst ten grondslag ligt, wordt afgewezen. Zonder goede uitleg, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom [gedaagde] dit eist. Leaseproces is door [gedaagde] ingeschakeld om tot een voor hem voordeliger deal met Dexia te komen. Dat resultaat is bereikt met de schikking. Daarmee lijkt een inhoudelijke reactie op vragen, die bij [gedaagde] nog zijn opgekomen over de zaak tegen Dexia, een gepasseerd station. Door de bereikte schikking met Dexia is ook het einde in zicht gekomen van de contractuele relatie tussen partijen en de dienstverlening door Leaseproces, na de afwikkeling van het vorenstaande.
Afwijzing voorwaardelijke eis 7 van [gedaagde]
2.18.
Eis 7 van [gedaagde] is voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval dat de uiteindelijke restschuld van € 2.967,60 gezien wordt als een resultaat waar Leaseproces recht op zou hebben. Uit het onder 2.13. overwogene volgt dat deze voorwaarde niet vervuld is. Daarom behoeft eis 7 geen verdere bespreking.
Proceskosten
2.19.
Omdat partijen over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten dient te dragen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Leaseproces te betalen € 146,17 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;
in reconventie
3.2.
veroordeelt Leaseproces tot verstrekking aan [gedaagde] van inzage in zijn dossier en tot overhandiging aan [gedaagde] van alle stuitingsbrieven van Dexia;
in conventie en in reconventie
3.3.
bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465