ECLI:NL:RBROT:2025:13544

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/10/708795 / JE RK 25-2172
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met onduidelijkheid over hulpverlening

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam op 7 november 2025 een beschikking gegeven over een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [minderjarige]. De gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (GI) heeft verzocht om deze machtiging, omdat er zorgen zijn over de opvoedomgeving van [minderjarige]. De moeder, die belast is met het ouderlijk gezag, heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Tijdens de zitting is de betrokkenheid van de hulpverlening ter discussie gesteld, en er is onduidelijkheid over de frequentie van de hulpverlening aan de moeder. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er zorgen zijn over de hygiëne en de opvoeding van [minderjarige], en dat er signalen zijn van mogelijke risico's voor haar welzijn. De kinderrechter heeft echter aangegeven onvoldoende voorgelicht te zijn om een beslissing te nemen en heeft de GI verzocht om aanvullende informatie te verstrekken. De behandeling van het verzoek is aangehouden tot 5 december 2025, waarbij de GI, de moeder en haar advocaat zijn opgeroepen om te verschijnen. De beschikking is openbaar uitgesproken op 7 november 2025 door kinderrechter H. Mol, met griffier M.M.C. van der Knaap.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708795 / JE RK 25-2172
Datum uitspraak: 7 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.J.J. Trooster, kantoorhoudende in Vlaardingen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 14 oktober 2025, ontvangen op 22 oktober 2025;
  • de ongedateerde brief van Stichting Elckerlyc (hierna: Elckerlyc), overgelegd door de advocaat van de moeder op 6 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1].

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het als volgt toe. De GI ziet een liefdevolle moeder die veel van haar kinderen houdt en het beste voor hen wil, maar wordt overvraagd in de opvoeding van de kinderen. Op dit moment stagneert [minderjarige] in haar ontwikkeling. In september 2025 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin staat welke stappen zij moet zetten om de veiligheid en stabiliteit voor [minderjarige] te waarborgen, maar er is – ondanks de inzet van hulpverlening – onvoldoende structurele verbetering zichtbaar. Pameijer is sinds januari 2025 betrokken en biedt de moeder hulp in het huishouden. Vanuit Elckerlyc ontvangt de moeder hulp in de opvoeding en bij praktische zaken, zoals financiën of een bezoek aan de huisarts. De GI heeft van Elckerlyc begrepen dat de hulpverlening voor de moeder sinds eind augustus of begin september 2025 is opgeschaald, in die zin dat Elckerlyc elke dag langs komt. Het verslag van Elckerlyc dat is overgelegd, is geschreven door de directrice die niet betrokken is bij de hulpverlening die aan de moeder wordt geboden. Dat is bijzonder. Met de drie hulpverleners die wel direct betrokken zijn bij de moeder bespreekt de GI wekelijks de zorgen die zij hebben over de situatie van [minderjarige] en haar broertje [naam 2].

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Namens en door de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Een uithuisplaatsing is een zware maatregel. Bekend is dat de moeder een probleem heeft met het opruimen van het huis. Daar is hulp voor ingezet, maar sinds drie weken komt de begeleider van Pameijer niet meer. Voor die tijd kwam Pameijer elke week langs. Intensieve Hulpverlening (IH) is gestopt toen ook [naam 2] onder toezicht werd gesteld. Alleen Elckerlyc is nog betrokken. Elckerlyc biedt opvoedondersteuning en praktische ondersteuning aan de moeder. Daarnaast heeft de moeder om psychologisch hulp gevraagd. De moeder wil dat [minderjarige] bij haar blijft wonen, met inzet van de hulp die nodig is. [minderjarige] eet gezond, doucht elke dag en heeft elke dag schone kleren aan.

5.De beoordeling

5.1.
Vaststaat dat er zorgen zijn over de 4-jarige [minderjarige]. Er zijn zorgen over de hygiëne binnen de opvoedomgeving van [minderjarige]. Het lukt de moeder niet om de woning schoon te houden. Zij zou worden overvraagd in de opvoeding van [minderjarige] en haar broertje [naam 2]. Daarnaast zijn er heel zorgelijke signalen van seksueel misbruik van [minderjarige]. De vraag die de kinderrechter moet beantwoorden is of een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, ofwel of de zorgen die er zijn over [minderjarige] alleen kunnen worden weggenomen door haar uit huis te plaatsen. [1]
5.2.
Uit het verzoekschrift van de GI volgt dat het de moeder – ondanks intensieve hulpverlening – niet lukt om [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden. Ter zitting wordt de betrokkenheid van die hulpverlening echter ter discussie gesteld en blijkt er onduidelijkheid te zijn over hoe vaak de hulpverlening bij de moeder langs komt. Zo stelt de GI dat Elckerlyc de hulpverlening voor de moeder eerder dit jaar heeft opgeschaald. De moeder weerspreekt dat. De brief van Elckerlyc met positieve punten over de moeder, die door de advocaat van de moeder is overgelegd, wordt door de GI terzijde geschoven, omdat de brief zou zijn geschreven door de directrice van Elckerlyc en niet door de drie hulpverleners die direct bij de moeder betrokken zijn. Dit alles zorgt voor ruis. De schriftelijke aanwijzing die diende als “laatste kans” voor de moeder voordat de GI zou overgaan tot een verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing, maakt geen onderdeel uit van dit dossier, waardoor de kinderrechter niet kan vaststellen of de moeder daadwerkelijk een laatste kans heeft gekregen om de gewenste, structurele verbeteringen te laten zien.
5.3.
Gelet op het voorgaande, acht de kinderrechter zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen op het verzoek van de GI. De kinderrechter verzoekt de GI om de volgende stukken aan de kinderrechter te doen toekomen, met afschrift aan de moeder en haar advocaat:
  • een overzicht van welke hulpverlening betrokken is bij de moeder, waarbij wordt vermeld vanaf welk moment die hulpverlening is opgeschaald en of de hulpverlening ook daadwerkelijk langs komt bij de moeder;
  • een verklaring van de betrokken hulpverleners van Elckerlyc met betrekking tot de ongedateerde brief van Elckerlyc, die door de advocaat van de moeder is overgelegd;
  • de schriftelijke aanwijzing die de GI in september of oktober 2025 aan de moeder heeft gegeven.
5.4.
In afwachting van deze stukken houdt de kinderrechter het verzoek van de GI aan tot 5 december 2025.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
houdt de behandeling van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in zijn geheel aan en roept de GI, de moeder en mr. W.J.J. Trooster op te verschijnen tijdens de zitting van mr. H. Mol van de rechtbank Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan
Wilhelminaplein 100/125 in Rotterdam, op
5 december 2025 om 14:00 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.2.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025 door mr. H. Mol, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op 21 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.