ECLI:NL:RBROT:2025:13490

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/10/710014 / KG ZA 25-1125
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:274 BWArt. 25 Brussel I bis VerordeningArt. 29 Brussel I bis Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod executoriale verkoop kraanponton en geldvordering in kort geding

Emerald Harvester is eigenaar van kraanponton K1 waarop een hypotheekrecht is gevestigd ten gunste van Inerco als zekerheid voor een vooruitbetaalde geldvordering van €4 miljoen. Inland en Inerco sloten overeenkomsten voor graanvervoer en overslag, waarbij Inerco een bedrag vooruitbetaalde en een minimale afname van graan zou garanderen.

Inerco vorderde executie van het hypotheekrecht wegens niet-terugbetaling van een restantbedrag. Emerald Harvester en Inland vorderden in kort geding een verbod op executie, stellende dat de vordering van Inerco teniet zou zijn gegaan door verrekening van een tegenvordering wegens niet-nakoming van de volumeverplichting.

De voorzieningenrechter oordeelde dat Inerco geen verplichting tot minimale graanlevering was aangegaan, mede gelet op de contractuele bewoordingen en de voorgeschiedenis van de overeenkomsten. Hierdoor was de verrekening niet aannemelijk en bleef de vordering van Inerco bestaan. De executie mocht doorgaan. De geldvordering van Inerco in reconventie werd afgewezen wegens het bestaan van het hypotheekrecht en het ontbreken van noodzaak voor een onmiddellijke voorziening.

De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Alle vorderingen worden afgewezen en de executoriale verkoop van de kraanponton mag doorgaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710014 / KG ZA 25-1125
Vonnis in kort geding van 19 november 2025
in de zaak van

1.INLAND SHIPPING S.R.L.,

te St. Brailei (Roemenië),
2.
EMERALD HARVESTER S.R.L.,
te Galati (Roemenië),
eiseressen in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaten: mrs. R. Sinke en H.C. Bol,
tegen
INERCO TRADE SA,
te Nyon (Zwitserland),
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: ,
advocaten: mrs. V.R. Pool en A.J. Nagtegaal.
Partijen worden hierna afzonderlijk Inland, Emerald Harvester en Inerco genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 14 november 2025, met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie, met producties 1 tot en met 15;
- productie 16 van Inerco;
- de pleitnota van eiseressen;
- de pleitnota van gedaagde.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft vandaag plaatsgevonden.

2.De feiten

2.1.
Emerald Harvester is eigenaar van kraanponton K1 (hierna: “de K1”). Deze ponton bevindt zich in Roemenië.
2.2.
Inland en Inerco zijn twee overeenkomsten aangegaan, een Ship to Ship Cargo Booking Note (STS CBN) die ziet op de overslag van verschillende soorten granen en een Cargo Booking Note (CBN) die ziet op het vervoer van granen over de binnenwateren van Oekraïne naar Roemenië. De overeenkomsten zijn gesloten voor de periode van 1 september 2023 tot en met 31 december 2023.
2.3.
Inerco heeft een bedrag van € 4 miljoen betaald aan Inland. Als zekerheidstelling voor de terugbetaling van dit bedrag heeft Emerald Harvester een recht van hypotheek gevestigd op de K1 ten gunste van Inerco. Tussen Inerco en Emerald Harvester is (ook) een borgtochtovereenkomst tot stand gekomen.
2.4.
Inerco heeft Inland en Emerald Harvester op 12 augustus 2024 en 28 mei 2025 gesommeerd tot terugbetaling van een bedrag van € 2.574.253,30.
2.5.
Inland en Emerald Harvester hebben in een bodemprocedure bij de rechtbank Rotterdam doorhaling van de hypotheek op de K1 gevorderd, omdat de vordering waarvoor zekerheid is verstrekt teniet is gegaan door verrekening van een vordering voor foutvracht.
2.6.
Op 20 november 2025 staat de door Inerco geïnitieerde executieverkoop van de K1 in Roemenië gepland. Een vordering van Emerald Harvester tot schorsing van deze executie is door de Roemeense rechter op 18 november 2025 afgewezen.

3.Het geschil in conventie

3.1.
Eiseressen vorderen een verbod tot de executie van de hypotheekakte en Inerco te veroordelen om de executie van de hypotheekakte te staken en gestaakt te houden, in ieder geval voor de duur van de bodemprocedure, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Inerco in de proceskosten.
3.2.
Inerco voert verweer en concludeert tot onbevoegdheid van de voorzieningenrechter, dan wel afwijzing van de vorderingen van eiseressen, met veroordeling van eiseressen in de proceskosten in conventie.

4.Het geschil in reconventie

4.1.
Inerco vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Inland of Emerald Harvester te veroordelen:
tot betaling van € 2.574.253,30, te vermeerderen met rente;
tot betaling van de buitengerechtelijke (incasso)kosten van € 6.775,-, te vermeerderen met rente.
4.2.
Eiseressen voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Inerco, met veroordeling van Inerco in de proceskosten in reconventie.

5.De beoordeling in conventie

De voorzieningenrechter is bevoegd om van het geschil kennis te nemen
5.1.
Dit is een internationale zaak, omdat zowel eiseressen als gedaagde buiten Nederland gevestigd zijn. Daarom moet ambtshalve worden beoordeeld of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toekomt. Daarvan is sprake, aangezien in alle relevante overeenkomsten een forumkeuze voor deze rechtbank is opgenomen. Deze forumkeuze voldoet aan de vereisten van artikel 25 van Pro de toepasselijke Brussel I bis Verordening. Partijen hebben tevens een keuze gemaakt voor Nederlands recht. Het geschil voor wat betreft de aan de orde zijnde rechtsverhouding tussen partijen moet daarom naar Nederlands recht worden beoordeeld.
5.2.
Het ter zitting door Inerco gedane beroep op onbevoegdheid wegens litispendentie wijst de voorzieningenrechter af, omdat onvoldoende duidelijk is geworden dat voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 29 Brussel Pro I bis en de gelegenheid voor nader onderzoek hieromtrent ontbreekt.
Eiseressen hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen
5.3.
De vordering strekt tot een verbod aan Inerco om over te gaan tot executoriale verkoop van de K1 op grond van haar (vermeende) hypotheekrecht. Omdat vaststaat dat deze verkoop op 20 november 2025 gepland staat, is daarmee het spoedeisend belang gegeven.
De vordering van Inerco is niet teniet gegaan
5.4.
Eiseressen willen met hun vordering bereiken dat het Inerco wordt verboden over te gaan tot executoriale verkoop van de K1 totdat in de bodemprocedure (2.5) is beslist of de vordering van Inerco teniet is gegaan door verrekening en de ten gunste van Inerco gevestigde hypotheek om die reden moet worden doorgehaald op grond van artikel 3:274 BW Pro. Voor dit verbod kan aanleiding bestaan als aannemelijk is dat in de bodemprocedure daadwerkelijk geoordeeld zal worden dat de vordering van Inerco teniet is gegaan en een afweging van belangen meebrengt dat het belang van eiseressen bij het verbod zwaarder weegt dan het belang van Inerco bij voortzetting van de executoriale verkoop.
5.5.
Het standpunt dat de vordering van Inerco op Inland teniet is gegaan, is gebaseerd op de volgende redenering van Inland. Op grond van de beide in 2.2 bedoelde overeenkomsten was Inerco verplicht een minimale hoeveelheid van 40.000 mt graan per maand aan Inland aan te bieden ten behoeve van vervoer per binnenschip en overslag in een zeeschip. De per lading verschuldigde vracht zou voor 50% aan Inland ten goede komen en voor 50% worden gebruikt als aflossing van het door Inerco vooruitbetaalde bedrag van € 4 miljoen (zie 2.3). Inerco heeft niet voldaan aan haar verplichting om ten minste 40.000 mt graan per maand aan Inland voor vervoer en overslag aan te bieden. Met de wel voor vervoer en overslag aangeboden hoeveelheid graan is een bedrag van (ruim) € 1,4 miljoen op het vooruitbetaalde bedrag in mindering gebracht. Van de (oorspronkelijke) vordering van Inerco resteert daarom nog een bedrag van (ruim) € 2,5 miljoen. Op deze vordering brengt Inland een tegenvordering op Inerco in verrekening. Die tegenvordering (op grond van schadevergoeding) ziet op de gemiste vracht die Inerco in weerwil van haar volumeverplichting niet aan Inland voor vervoer en overslag heeft aangeboden. Hiermee is een bedrag van (ruim) € 2,7 miljoen gemoeid. Dit bedrag is hoger dan de resterende vordering van Inerco op Inland, zodat die vordering van Inerco door verrekening volledig teniet is gegaan.
5.6.
Cruciaal in het betoog van eiseressen is dus dat Inerco in de overeenkomsten een verplichting op zich heeft genomen om een minimale hoeveelheid graan voor vervoer en overslag aan te bieden. Inerco betwist dat dit is overeengekomen en de voorzieningenrechter volgt Inerco in die betwisting.
5.7.
Omdat op de overeenkomsten Nederlands recht van toepassing is, moet de uitleg van beide overeenkomsten plaatsvinden aan de hand van het Haviltex-criterium. Het komt er dus op aan dat niet alleen moet worden gelet op de betekenis van de in de overeenkomst gebruikte bewoordingen, maar ook op wat partijen over en weer hebben verklaard en op de betekenis die zij redelijkerwijs aan die verklaringen hebben mogen geven.
5.8.
In de beide overeenkomsten komt niet met zoveel woorden een verplichting van Inerco voor om een bepaalde minimum hoeveelheid graan per maand aan te leveren. In de CBN wordt gesproken over “about 40’000 megatons +/- 10% per month” en in de STS CBN van “handling cargo of minimum guaranteed 40.000 metric tons per month.” Uit deze bepalingen kan niet direct worden afgeleid dat deze zich richten tot Inerco. Denkbaar is – en dat is de uitleg die Inerco bepleit – dat deze bepalingen zich richten tot Inland. Inerco heeft dat toegelicht door erop te wijzen dat zij zorgen had over de vraag of Inland wel de benodigde capaciteit kon leveren om de genoemde hoeveelheden graan te vervoeren en over te slaan. Deze uitleg kan niet zonder meer als onaannemelijk ter zijde geschoven worden en wordt ondersteund door de voorgeschiedenis (zie hierna). De opmerking in beide overeenkomsten dat Inerco verplicht is “to provide continuous supply of barges loaded with cargo” doet daar niet aan af. Integendeel: die (niet verder gekwantificeerde) verplichting van Inerco zou overbodig zijn geweest als de overeenkomst al een verplichting behelsde om een minimale hoeveelheid graan aan te leveren.
5.9.
Verder heeft Inerco uitvoerig en gemotiveerd de totstandkomingsgeschiedenis van de beide overeenkomsten geschetst. Anders dan eiseressen mogelijk menen, is die voorgeschiedenis wel degelijk van belang voor de uitleg van de overeenkomsten. Uit de voorgeschiedenis kan immers blijken hoe partijen over en weer de bepalingen uit die overeenkomsten redelijkerwijs hebben mogen begrijpen. In de aanloop naar de totstandkoming van de overeenkomsten is herhaaldelijk en expliciet tot uitdrukking gekomen dat de hoeveelheid door Inerco aan te leveren graan “in the option of” Inerco was (of zinsneden van dezelfde strekking). Dit komt zowel terug in berichten die door Inerco zijn verstuurd alsook in een document (“main terms agreed btw parties”) opgesteld door een adviseur van Inland. Inerco heeft ook een bericht overgelegd, waarin aan de zijde van Inland expliciet “ok” is genoteerd bij de opmerking van Inerco “guaranteed transportation volume by your barges […] on our option.” Al deze uitlatingen bevestigen de juistheid van de door Inerco bepleite uitleg van de in 5.8 bedoelde bedingen. Mede gelet op deze voorgeschiedenis, acht de voorzieningenrechter niet van belang dat in de door eiseressen aangehaalde procedure een andere uitleg is gegeven aan min of meer gelijkluidende contractuele bepalingen.
5.10.
De voorgeschiedenis van de overeenkomsten biedt ook steun aan het standpunt van Inerco dat de betaling door Inerco van € 4 miljoen weliswaar is vorm gegeven als een vooruitbetaling voor vracht, maar dat het in wezen ging om een lening ter financiering van de aankoop door Inland (of Emerald Harvester) van de K1. De voorzieningenrechter acht dit van belang, omdat hieruit volgt dat het Inland klaarblijkelijk niet alleen te doen was om een overeenkomst voor het tijdelijke vervoer van graan van Inerco, maar ook om haar positie in deze markt te verstevigen. Voor het bereiken van dat doel had zij behoefte aan financiering door Inerco, ook omdat het verkrijgen van reguliere financiering van banken voor de aankoop van de ponton, gelet op de situatie in Oost-Europa, lastig bleek.
5.11.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat Inerco een verplichting op zich heeft genomen om een bepaalde minimale hoeveelheid graan voor vervoer en overslag aan Inland aan te bieden. Zij kan dus ook niet in de nakoming van die verbintenis tekort zijn geschoten. Gevolg hiervan is dat Inland geen vordering tot schadevergoeding op Inerco heeft gekregen. Nu Inland geen vordering op Inerco heeft, kan zij die vordering niet verrekenen met de vordering van Inerco tot terugbetaling van het restant van het vooruitbetaalde bedrag. De vordering van Inerco is dus niet teniet gegaan.
Inerco is gerechtigd het hypotheekrecht ten uitvoer te leggen
5.12.
De vordering waarvoor de hypotheek als zekerheid is gevestigd, bestaat nog. Inerco is dus bevoegd dit hypotheekrecht uit te winnen. Gelet hierop is er geen grond om Inerco te verbieden hiertoe over te gaan.
5.13.
Een belangenafweging maakt dit niet anders. Niet uitgesloten is dat executoriale verkoop van de ponton leidt tot een lagere opbrengst. Mocht later komen vast te staan dat Inerco toch niet langer bevoegd was om tot executie over te gaan (omdat haar vordering al teniet was gegaan), dan is dus aannemelijk dat Inland daardoor schade lijdt. Gesteld noch gebleken is echter dat zij die schade in dat geval niet op Inerco zou kunnen verhalen.
5.14.
Anders dan eiseressen hebben betoogd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de tenuitvoerlegging van de authentieke akte waarin het hypotheekrecht is opgenomen niet in Roemenië plaats zou kunnen vinden, overigens nog daargelaten dat de uitvoerbaarheid inmiddels kennelijk op meerdere manieren door de Roemeense rechter is getoetst.

6.De beoordeling in reconventie

6.1.
De vordering is een geldvordering. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is. De voorzieningenrechter wijst de vordering af en licht dit als volgt toe.
6.2.
De vordering is op zichzelf voldoende hard om in kort geding te kunnen toewijzen. Dat volgt uit het oordeel in conventie. Inerco beschikt echter over een hypotheekrecht op de K1 als zekerheid voor deze vordering. Inerco kan dit zekerheidsrecht door middel van parate executie uitwinnen. Gelet hierop valt niet in te zien waarom daarnaast ook nog een voorziening in kort geding tot betaling van de vordering nodig zou zijn. Dit geldt te meer nu de K1 kennelijk op zeer korte termijn (morgen) executoriaal verkocht zal worden. Niet aannemelijk is dus dat Inerco nadeel zal ondervinden van toekomstige waardedrukkende kosten.
6.3.
De vordering wordt dus afgewezen.

7.De proceskosten in conventie en in reconventie

7.1.
Eiseressen krijgen in conventie ongelijk en Inerco krijgt in reconventie ongelijk. In deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8.De beslissing

De voorzieningenrechter
8.1.
wijst alle vorderingen over en weer af,
8.2.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025. 3608/1980