ECLI:NL:RBROT:2025:13489

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1814 - FT RK 25/1815
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 48 lid 1 Wet op het consumentenkrediet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening moratorium en beschermingsbewind bij dreigende ontruiming huurwoning

Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege een vonnis tot ontruiming en een exploot waarin ontruiming is aangekondigd.

De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die onder beschermingsbewind staat en voldoende inkomsten heeft om de huur te voldoen, tegen het belang van verweerster, de verhuurder die het vonnis wil uitvoeren. Gezien de betaalde huurtermijnen en het beschermingsbewind acht de rechtbank het aannemelijk dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan.

De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegewezen met de voorwaarde dat de huur tijdig wordt voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog loopt. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige huurbetaling en beschermingsbewind.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [rekestnummer 1] / FT RK 25/1814 - [rekestnummer 2] / FT RK 25/1815
uitspraakdatum: 7 november 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 3 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 3 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 17 oktober 2025.
Ter zitting van 17 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer C. van der Wal en mevrouw M. Orie, beiden werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer R.F.J.P. Aeppli, werkzaam bij AFS Beschermingsbewind (hierna: beschermingsbewindvoerder).
De besloten vennootschap Utah Properties B.V., gevestigd te Heerlen (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
Namens verzoeker zijn op 4 november 2025 aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wenst een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij de Sociale Dienst Drechtsteden. Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Dit volgt ook uit het budgetoverzicht.
Verzoeker heeft zich daarnaast ook gemeld bij AFS beschermingsbewind. Aangezien het beschermingsbewind nog niet was uitgesproken, is verzoeker tijdens de zitting de mogelijkheid geboden om versneld beschermingsbewind aan te vragen bij de kantonrechter. Verzoeker heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Inmiddels is, per 27 oktober 2025, sprake van beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerder zal zorgdragen voor de volledige en tijdige betaling van de vaste lasten, waaronder de huur. Verzoeker heeft de huur van de maanden september 2025, oktober 2025 en november 2025 voldaan. De beschermingsbewindvoerder zal het minnelijk traject uitvoeren.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 25 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 9 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden zodat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 17 juli 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft inkomsten uit arbeid. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker heeft ook betaalbewijzen overgelegd, waaruit blijkt dat de huur van de maanden september 2025, oktober 2025 en november 2025 is voldaan. Bovendien staat verzoeker inmiddels onder beschermingsbewind. Daarmee wordt gewaarborgd dat de huur voortaan volledig en tijdig wordt voldaan.
De beschermingsbewindvoerder is bovendien bevoegd om een minnelijk schuldhulpverleningstraject uit te voeren op grond van artikel 48 lid 1 van Pro de Wet op het consumentenkrediet. Nu de voorlopige voorziening al ruim twee maanden loopt, is daar haast bij geboden. De rechtbank acht echter niet op voorhand onaannemelijk dat de beschermingsbewindvoerder in staat is om binnen vier maanden een minnelijke regeling tot stand te brengen dan wel een Wsnp-verzoek in te dienen.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 17 juli 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [plaats] ( [postcode] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
3 oktober 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.