ECLI:NL:RBROT:2025:13464

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/10/698109 / FA RK 25-3010
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van kinder- en partneralimentatie na beëindiging schuldhulpverlening

In deze beschikking van 14 november 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de wijziging van de onderhoudsbijdragen tussen een man en een vrouw na beëindiging van hun schuldhulpverleningsperiode. De man, vertegenwoordigd door advocaat mr. J. de Jong, verzocht om wijziging van de eerder vastgestelde kinderalimentatie en partneralimentatie, die oorspronkelijk waren vastgesteld in een convenant bij de echtscheiding in 2019. De vrouw, vertegenwoordigd door advocaat mr. J.F. van Drenth, verweerde zich tegen de verzoeken van de man en vroeg om handhaving van de bestaande alimentatiebedragen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de schuldhulpverleningsperiode van beide partijen is afgerond. Dit rechtvaardigt een herberekening van de alimentatie. De rechtbank heeft de behoefte van de minderjarige vastgesteld op € 431,- per maand en de draagkracht van de man op € 456,- per maand. Na toepassing van een zorgkorting van 35% is de door de man te betalen kinderbijdrage vastgesteld op € 258,- per maand. Voor de partneralimentatie is de behoefte van de vrouw vastgesteld op € 411,- netto per maand, en de rechtbank heeft de partnerbijdrage van de man vastgesteld op € 158,- bruto per maand.

De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en bepaald dat elke partij zijn eigen proceskosten draagt. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag, met een termijn van drie maanden voor verzoeker en belanghebbenden om hoger beroep in te stellen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/698109 / FA RK 25-3010
Beschikking van 14 november 2025 over de onderhoudsbijdragen
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J. de Jong te Gorinchem,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.F. van Drenth te Gorinchem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 16 april 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op
11 juni 2025;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op
8 juli 2025;
  • de berichten met bijlagen van de vrouw, beide van 7 oktober 2025;
  • het bericht met bijlage van de man van 8 oktober 2025;
  • het bericht met bijlage van de vrouw van 16 oktober 2025;
  • het bericht met bijlage van de man van 16 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de man met zijn advocaat en
  • de vrouw met haar advocaat.
1.3.
Na de mondelinge behandeling is op verzoek van de rechtbank door de man nog een afschrift van de aangifte inkomstenbelasting 2024 toegestuurd. Verder kreeg de vrouw gelegenheid hierop een reactie toe te sturen. Partijen hebben respectievelijk op
20 oktober 2025 en 21 oktober 2025 de betreffende berichten aan de rechtbank toegezonden.

2.De vaststaande feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2019 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.
Op 15 maart 2019 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.3.
Bij de hiervoor genoemde beschikking zijn ook de door partijen overeengekomen convenant en ouderschapsplan opgenomen. Daarin is, kort samengevat en voor zover nu relevant, het volgende tussen partijen afgesproken:
  • Het gezinsinkomen is in 2018 € 2.281,-;
  • De kosten van [minderjarige] bedragen € 328,-;
  • Het gezinsinkomen minus de kosten van het kind komt neer op € 1.953,- per maand, hiervan 60% ter bepaling van de behoefte van de vrouw is € 1.172,- netto per maand;
  • De draagkracht van de man ten behoeve van kinderalimentatie is € 292,- per maand (met toepassing van een zorgkorting van 25%);
  • De draagkracht van de man ten behoeve van partneralimentatie is € 199,-netto per maand, gebruteerd is dit € 327,- per maand;
  • Partijen gaan een schuldhulpverleningsperiode in waardoor geen partneralimentatie wordt betaald;
  • Na de schuldhulpverleningsperiode vindt een nieuwe berekening plaats.
2.4.
De man is op [datum] gehuwd met [naam] .

3.De beoordeling

3.1.
Onderhoudsbijdragen wijziging
3.1.1.
De man verzoekt wijziging van de beschikking van 30 januari 2019 en de daarbij opgenomen afspraken over de kinderalimentatie en de partneralimentatie en de kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking op € 262,- per maand te bepalen en de partneralimentatie op nihil te stellen. In zijn bericht van 16 oktober 2025, met als bijlage een berekening van 16 oktober 2025, stelt hij echter € 205,- per maand aan kinderalimentatie en € 67,- bruto per maand aan partneralimentatie te kunnen bijdragen.
3.1.2.
De vrouw verweert zich en verzoekt primair de verzoeken van de man af te wijzen omdat zij meent dat er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging. Mocht de rechtbank anders oordelen dan verzoekt zij subsidiair om de kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking te wijzigen naar € 280,- per maand en de partneralimentatie in stand te houden.
3.1.3.
De man heeft zich vervolgens verweert tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.3.
Wijziging van omstandigheden
3.3.1.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.
Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
3.3.2.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden omdat is gebleken dat de schuldhulpverleningsperiode van beide partijen is afgerond. In het convenant spraken partijen daarover af dat na deze periode een herberekening dient plaats te vinden. De rechtbank maakt hieruit op dat partijen op voorhand de afronding van het schuldhulpverleningstraject al hebben beschouwd als een wijziging van omstandigheden die opnieuw rekenen rechtvaardigt. De rechtbank zal dan ook overgaan tot het maken van een herberekening. Nadat de herberekening is gemaakt, kan de rechtbank beoordelen of – gelet op de uitkomst van de herberekening – sprake is een “rechtens relevante” wijziging van omstandigheden die maakt dat de door de man te betalen bedragen moeten worden gewijzigd.
3.3.3.
De rechtbank zal de kinder- en partnerbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.3.4.
Partijen zijn het eens over de verzochte ingangsdatum, zodat de kinder- en partnerbijdrage met ingang van die datum, te weten de datum van de beschikking, zal worden gewijzigd, mits daartoe aanleiding is.
De kinderbijdrage
De behoefte van [minderjarige]
3.3.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige [minderjarige] ) € 431,- per maand in 2025 bedraagt.
Draagkrachtberekening
3.3.6.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.3.7.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.
Gezien de ingangsdatum van de mogelijke wijziging van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-tweede helft.
3.3.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor het berekenen van het huidige netto besteedbaar inkomen van de man zijn salarisspecificatie van september 2025 als uitgangspunt moet worden genomen.
3.3.9.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening, bijlage I) het huidige NBI van de man over het jaar 2025 op € 2.803,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 3.389,-;
- vakantiegeld 8% op jaarbasis;
- pensioenpremie € 278,-;
- soc. fonds € 15,-;
- premie Whk wn € 9,-.
3.3.10.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
Over toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting bleek onduidelijkheid tussen partijen te bestaan. Uit de berichten van 20 oktober 2025 respectievelijk
21 oktober 2025 blijkt dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de man niet in aanmerking komt voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Deze korting blijft daarom buiten beschouwing.
3.3.11.
Tussen partijen is in geschil van welk huidig NBI van de vrouw moet worden uitgegaan. De man wil uitgaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. De vrouw wijst dit van de hand en stelt dat zij onder begeleiding van een arbeidsdeskundige positieve stapjes heeft gezet van een situatie waarin de vrouw niet werkte naar een situatie waarin de vrouw 15 uur per week werkt. De vrouw stelt dat haar huidige werksituatie voor haar het maximaal haalbare is op dit moment. De rechtbank volgt de vrouw in haar betoog. Gebleken is dat de vrouw eerst niet werkzaam was en nu onder begeleiding van een arts, ook al is zij niet arbeidsongeschikt bevonden, er naartoe heeft gewerkt dat zij in ieder geval weer voor 15 uur per week inzetbaar is om te werken. Uit het door de vrouw als productie 7 overlegde stuk blijkt de rechtbank afdoende dat de vrouw nu niet méér kan werken en dat voor de toekomst nieuw onderzoek zal plaatsvinden. Nu dit een onzekere toekomstige situatie is, loopt de rechtbank daar nog niet op vooruit. De rechtbank zal dus voor nu het netto besteedbare inkomen van de vrouw vaststellen op basis van 15 uur werken per week en de aanvullende uitkering op grond van de Participatiewet. Daarbij neemt de rechtbank haar inkomen blijkens haar salarisspecificatie van september 2025 en daarbij opgeteld haar aanvullende netto uitkering blijkens het overzicht van de gemeente van september 2025.
3.3.12.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening, bijlage I) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2025 op € 1.562,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 1.061,-;
- vakantiegeld 8% op jaarbasis;
- pensioenpremie € 78,-;
- inhouding wn wia/wga € 4,-;
- netto bijstandsuitkering van € 498,-.
3.3.13.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.3.14.
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 492,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.3.15.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 456,- per maand.
3.3.16.
De draagkracht van de vrouw is tussen partijen in discussie. De vrouw voert aan dat haar inkomen op bijstandsniveau ligt en wordt aangevuld met een bijstandsuitkering, wat dient te leiden tot een draagkracht van € 0,-. De man daarentegen gaat bij de draagkracht van de vrouw uit van een minimumbedrag van € 25,- per maand.
De rechtbank verwijst naar het rapport en beschouwt de vrouw als een ouder die inkomen heeft, waarbij een minimumdraagkracht van € 25,- per maand wordt aangenomen.
Draagkrachtvergelijking
3.3.17.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (ad € 481,-) hoger is dan de behoefte van de minderjarige (ad € 431,-) moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 456 / € 481 x € 431 = € 409,-
het deel van de vrouw bedraagt: € 25 / € 481 x € 431 = € 22 +
samen € 431,-.
Zorgkorting
3.3.18.
Partijen zijn het eens over de toepassing van een zorgkorting van 35%.
3.3.19.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 431,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 151,- per maand.
3.3.20.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen (€ 409,- minus € 151,- =)
€ 258,- per maand.
Conclusie ten aanzien van kinderbijdrage
3.3.21.
Gezien de uitkomst van de herberekening oordeelt de rechtbank dat sprake is van een rechtens relevante wijziging en daarom zal worden bepaald dat door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal worden gewijzigd naar € 258,- per maand. Dit bedrag is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
De partnerbijdrage
De behoefte van de vrouw
3.3.22.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte zoals overeengekomen in het convenant als vertrekpunt kan worden genomen. Partijen zijn destijds overeengekomen dat de behoefte € 1.172,- netto per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 komt dit neer op
€ 1.475,- netto per maand.
3.3.23.
Op de behoefte van de vrouw moet haar inkomen van € 1.064,- netto per maand, inclusief vakantiegeld, in mindering worden gebracht, waarna een aanvullende behoefte van € 411,- netto per maand resteert. De rechtbank brengt de aanvullende bijstandsuitkering niet in mindering, omdat dit enkel als aanvullend is bedoeld, voor zover bij de echtscheiding de onderhoudsplichtige ex-partner niet in staat is bij te dragen. Net als bij de berekening van de kinderbijdrage wordt niet uitgegaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. De rechtbank verwijst naar wat in r.o. 3.3.11. daarover is overwogen.
3.3.24.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) de behoefte van de vrouw vast op € 411,- netto per maand, ofwel € 640,- bruto per maand.
De draagkracht van de man
3.3.25.
De rechtbank bepaalt het huidige NBI van de man over het jaar 2025 op € 2.803,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 3.389,-;
- vakantiegeld 8% op jaarbasis;
- pensioenpremie € 278,-;
- soc. fonds € 15,-;
- premie WHK wn € 9,-.
3.3.26.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
Aanpassing woonbudget
3.3.27.
In beginsel wordt sinds 2023 ook bij partneralimentatie uitgegaan van een forfaitaire benadering van het woonbudget. Standaard wordt met een woonbudget van 30% van het NBI gerekend, maar hier wordt in sommige gevallen vanaf geweken. Op basis van de formule komt het forfaitaire woonbudget van de man uit op een bedrag van € 841- per maand. Het woonbudget omvat niet enkel de kale huur en servicekosten, maar ook alle redelijke lasten voor een woning, waaronder lokale belastingen.
3.3.28.
Indien sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en de onderhoudsgerechtigde, in dit geval de vrouw, voldoende onderbouwd stelt dat de werkelijke woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat hij samenwoont, dan ligt het op de weg van de man om inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten.
3.3.29.
De vrouw verzoekt rekening te houden met de helft van de woonbudget (30% van het NBI gedeeld door 2) van de man omdat hij samenwonend is en zij de huidige echtgenote in staat acht daartoe voor de helft bij te dragen. De woonlasten van de man zijn daardoor volgens de vrouw duurzaam aanmerkelijk lager dan het forfaitaire woonbudget. In haar berekening komt zij uit op € 450,- per maand.
3.3.30.
De man voert gemotiveerd verweer. Hij stelt dat zijn huidige echtgenote een beperkt inkomen heeft: zij ontvangt een WIA-uitkering. Er kan niet van haar verlangd worden bij te dragen in de woonlasten. De vrouw betwist dit.
3.3.31.
De rechtbank zal eerst berekenen of de man voldoende draagkracht heeft volgens een berekening met het forfaitaire woonbudget, hiervoor verwijst de rechtbank naar de aan deze beschikking gehechte berekening vermeld onder bijlage II.
Op grond van deze berekening volgt een draagkracht van de man van afgerond (60% x [2.803 - (841 + 1.310) =]) € 391,- netto per maand. Daarop wordt in mindering gebracht de bijdrage kosten kind (inclusief zorgkorting) van € 409,-. Aldus resteert een negatieve bedrag aan draagkracht.. Er is dus sprake van een tekort als bedoeld in r.o. 3.3.28.
3.3.32.
Nu is gebleken dat de man – uitgaande van het forfaitaire woonbudget – onvoldoende draagkracht heeft om de verzochte partneralimentatie te betalen, kan worden afgeweken van het forfaitaire systeem als de man duurzaam aanmerkelijk lagere woonlasten heeft dan het forfaitaire woonbudget.
3.3.33.
De rechtbank stelt vast dat de partner van de man een WIA-uitkering van € 840,- netto per maand ontvangt. De rechtbank acht de partner daarmee in staat om enige bijdrage te leveren in de woonlasten waardoor de man duurzaam aanmerkelijk lagere woonlasten heeft dan het forfaitaire woonbudget.
De man heeft onvoldoende inzage gegeven in zijn werkelijke woonlasten. Daarom zal de rechtbank net als de vrouw het delen van de woonlasten tot uiting laten komen in een aanpassing van het percentage van het woonbudget. Anders dan de vrouw zal de rechtbank niet de helft van de 30% in aanmerking nemen, maar in redelijkheid het woonforfait van 30% (€ 841,-) tussen de man en zijn partner verdelen naar rato van ieders inkomen. Het deel van het woonbudget dat voor rekening van de man komt is dan (2.803/3.643 x 841=) € 647,- en het deel dat voor rekening van zijn partner komt is dan (840/3.643 x 841 =) € 194,-. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening vermeld onder bijlage III rekening houdend met deze aanpassing.
3.3.34.
Op grond van de aanpassing van het woonbudget volgt een draagkracht van de man van afgerond (60% x [2.803 - (647 + 1.310) =]) € 508,- netto per maand. Rekening houdend met de bijdrage kosten kind (inclusief zorgkorting) van € 409,- levert dit bij de man een draagkracht op van € 99,- netto per maand, gebruteerd komt dit neer op € 158,- per maand.
Conclusie ten aanzien van partnerbijdrage
3.3.35.
Ook ten aanzien van de partnerbijdrage concludeert de rechtbank dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging en daarom zal de rechtbank bepalen dat de eerder overeengekomen partneralimentatie wordt gewijzigd naar een partnerbijdrage van
€ 158,- bruto per maand.
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2019 en het daarbij aangehechte convenant en ouderschapsplan met betrekking tot kinder- en partnerbijdrage in die zin, dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van de datum van de beschikking wordt bepaald op € 258,- per maand en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van de beschikking wordt bepaald op € 158,- bruto per maand, steeds bij vooruit betaling te voldoen;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.J. Vrolijk-Kronbichler, griffier, op
14 november 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.