ECLI:NL:RBROT:2025:13453

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/432
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) voor een persoon in een problematische schuldensituatie

Op 5 november 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak waarin de heer [verzoeker] verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De heer [verzoeker] bevond zich in een problematische schuldensituatie en had geen afloscapaciteit, waardoor hij direct een Wsnp-verzoek indiende zonder een buitengerechtelijke schuldregeling te proberen. De rechtbank heeft de ontvankelijkheid van het verzoek beoordeeld en vastgesteld dat de heer [verzoeker] in deze specifieke situatie ontvankelijk was, ondanks dat hij CJIB-boetes had die niet te goeder trouw waren ontstaan. De rechtbank heeft besloten om de heer [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp, gebruikmakend van de hardheidsclausule, omdat hij zijn omstandigheden onder controle had gekregen en er vertrouwen was dat hij aan de verplichtingen van de Wsnp zou voldoen. De rechtbank heeft de looptijd van de Wsnp-regeling vastgesteld op 18 maanden, ingaande op de datum van het vonnis, en heeft een bewindvoerder benoemd om de verplichtingen van de heer [verzoeker] te controleren. De beslissing is openbaar uitgesproken en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen acht dagen na de uitspraak.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: C/10/25/266 R
vonnis van: 5 november 2025
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 juni 2025. De beschermingsbewindvoerder heeft op 22 mei 2025 mede namens schuldhulpverlening verzocht om te zitting te verplaatsen, nu zij beiden niet fysiek bij de zitting aanwezig konden zijn. De rechtbank heeft de zitting verplaatst naar
20 augustus 2025. Ter zitting van 20 augustus 2025 is gebleken dat er onduidelijkheid was over het tijdstip van behandeling, om welke reden de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift nogmaals heeft aangehouden.
1.3.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 29 oktober 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker] ;
- de heer L.L. Rijfkogel, werkzaam bij Brezs B.V., schuldhulpverlener;
- mevrouw C.M. Doorenweerd, beschermingsbewindvoerder.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet de heer [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens de heer [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat verzoeker ten tijde van het indienen van het verzoekschrift Wsnp in maart 2025, geen afloscapaciteit had. Er waren onvoldoende inkomsten om een regeling te kunnen treffen met de schuldeisers.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling kon worden gekomen. Het is voldoende aannemelijk geworden dat de heer [verzoeker] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift geen afloscapaciteit had. De heer [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
De toelating
2.4.
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat de CJIB-boetes die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. Het betreft hier CJIB-boetes ter hoogte van een bedrag van € 1.705,42. De CJIB-boetes zijn naar hun aard niet te goeder trouw.
Deze schuld staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.6.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om de heer [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat de heer [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schulden, onder controle heeft gekregen. De heer [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij geen auto’s meer op zijn naam heeft staan.
2.7.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat de heer [verzoeker] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
2.8.
De heer [verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.9.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.10.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.11.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.12.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.13.
De rechtbank stelt vast dat de heer [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook op basis van de ingediende stukken en dat wat ter zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Zo ontbreekt de VTLB-berekening met onderliggende stukken vanaf het moment dat de heer [verzoeker] een betaalde dienstbetrekking heeft gevonden. De rechtbank kan niet controleren of er is voldaan aan de afdrachtverplichting.
2.14.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). De heer [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .
3.6.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] ,
- benoemt tot rechter-commissaris mr. E.A. Vroom
en tot bewindvoerder M. Zomerdijk,
gevestigd te Postbus 81145,
3009 GC Rotterdam;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 5 november 2025 en de duur op 18 maanden en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 5 mei 2027;
  • draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. E.A. Vroom rechter, in samenwerking met C. van der Velde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025. [1]