Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[minderjarige 1] ,roepnaam
[minderjarige 1] ,geboren op
[jong-meerderjarige] ,roepnaam
[jong-meerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats ] ,
1.Het verdere verloop van de procedure
- de beschikking van 22 mei 2024;
- het bericht van de man van 18 juli 2024;
- het bericht van de vrouw van 12 september 2024;
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 7 oktober 2025;
- het bericht met bijlagen van de man van 10 oktober 2025.
- de advocaat van de vrouw;
- de vrouw, aanwezig via een Teams-verbinding;
- de man met zijn advocaat;
- [naam 1] , de zititngsvertegenwoordigster namens de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht.
2.De verdere vaststaande feiten
3.De verdere beoordeling
- partijen in overleg een zorgregeling regelen;
- de door de vrouw te betalen kinderalimentatie op € 866,- met ingang van
de welstand van partijenten tijde van de laatste fase van de samenleving bepalend. Op basis van die welstand hebben partijen destijds de behoefte begroot op € 1.407,-. Gesteld noch gebleken is dat ook thans nog de financiële positie van partijen reden zou moeten zijn voor afwijken. De rechtbank zal daarom de destijds begrote behoefte van € 1.407,- tot uitgangspunt nemen en vervolgens indexeren naar het jaar van de ingangsdatum, te weten 2023. In 2023 komt dit neer op
€ 374,-
€ 442,-
€ 330,-
€ 331,-
De rechtbank verwijst naar het rapport over bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden. Daarbij kan slechts met een last rekening worden gehouden als het gaat om een niet verwijtbare en niet vermijdbare last. Omdat de rechtbank verder geen stukken heeft gezien over deze schuld, behalve dan dat uit het convenant bij de echtscheidingsbeschikking blijkt dat partijen bij de ING een persoonlijke lening hadden, is verder niet vast te stellen dat deze schuld er nog steeds is. Bovendien ontbreekt van de zijde van de vrouw onderbouwing waarom zij deze schuld nog niet heeft afgelost. De enkele stelling “ik los nog af op een huwelijkse schuld” is niet te kwalificeren als een niet te vermijden en niet te verwijten last en laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing.
4.De beslissing
- de minderjarige verblijft in vakanties van een week minimaal twee dagen bij de vrouw;
- de minderjarige verblijft in vakanties van twee weken minimaal vier dagen bij de vrouw;
- de minderjarige verblijft in de zomervakantie gedurende minimaal veertien aaneengesloten dagen bij de vrouw;
- de minderjarige en de vrouw overleggen met elkaar welke vakantiedagen door de minderjarige bij de vrouw worden doorgebracht;
- de minderjarige en de vrouw videobellen met elkaar wanneer zij dat willen;
- over de periode van 11 december 2023 tot en met 31 december 2023 wordt bepaald op € 291,- per maand;
- over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 wordt bepaald op€ 309,- per maand ;
- met ingang van 1 januari 2025 wordt bepaald op € 329,- per maand;
- over de periode van 11 december 2023 tot en met 31 december 2023 wordt bepaald op € 291,- per maand;
- over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 wordt bepaald op € 309,- per maand;
- over de periode van 1 januari 2025 tot 28 februari 2025 wordt bepaald op € 329,- per maand;
- en de door de vrouw aan [jong-meerderjarige] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie vanaf 28 februari 2025 wordt bepaald op € 331,- per maand;