3.5.Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
3.5.1.Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden gewijzigd. De rechtbank neemt daarbij het moment van de ingetreden wijziging, zijnde het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van beide kinderen naar de man, zijnde
11 december 2023. Het argument van de vrouw om 1 januari 2024 als ingangsdatum te nemen omdat zij vanaf die datum een onderhoudsbijdrage voor [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] is gaan betalen, geeft voor de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
3.5.2.Gelet op de gehanteerde ingangsdatum zal bij de herberekening worden uitgegaan van de tarieven van 2023, de tweede helft.
Het eigen aandeel van partijen in de kosten van [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] (hierna: de behoefte van [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] )
3.5.3.De man stelt dat de behoefte van de kinderen van € 1.407,-, zoals in het ouderschapsplan is opgenomen, het uitgangspunt is en dat dit bedrag dient geïndexeerd te worden. De vrouw betwist dit. Zij stelt dat weliswaar de behoefte op voornoemd bedrag is begroot, maar dat gelet op de financiële positie van partijen zij hiervan zijn afgeweken. De vrouw betrekt het afwijken van partijen ook op de behoefte en niet alleen op de draagkracht van partijen destijds. Voor het bepalen van de behoefte is
de welstand van partijenten tijde van de laatste fase van de samenleving bepalend. Op basis van die welstand hebben partijen destijds de behoefte begroot op € 1.407,-. Gesteld noch gebleken is dat ook thans nog de financiële positie van partijen reden zou moeten zijn voor afwijken. De rechtbank zal daarom de destijds begrote behoefte van € 1.407,- tot uitgangspunt nemen en vervolgens indexeren naar het jaar van de ingangsdatum, te weten 2023. In 2023 komt dit neer op
€ 1.620,- per maand voor twee kinderen, dat wil zeggen € 810,- per maand per kind.
Het eigen aandeel van de man en zijn partner in de kosten van [minderjarige 2] (hierna: de behoefte van [minderjarige 2] )
3.5.4.Bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige 2] zijn partijen het erover eens dat hierbij de inkomensgegevens van de man en zijn partner uit het jaar 2023 worden gehanteerd. Bij de man is dit conform zijn jaaropgaaf 2023 € 90.666,- per jaar en bij zijn partner is dit conform haar jaaropgaaf 2023 € 39.031,- per jaar. De daaruit afgeleide netto besteedbare inkomens (NBI’s) bedragen € 4.714 per maand voor de man en € 2.862,- per maand voor de partner van de man (zie hiervoor de aangehechte berekening van de rechtbank). Deze NBI’s bij elkaar opgeteld betreft een gezinsinkomen dat boven € 6.000,- per maand uitkomt. De rechtbank raadpleegt daarbij de behoeftetabel 2023 en [minderjarige 2] wordt daarbij beschouwd als een kind dat opgroeit in een gezin waar drie kinderen wonen. Uit de behoeftetabel blijkt een eigen aandeel van de kosten van [minderjarige 2] van € 1.630,- (geldend voor drie kinderen). Door dit bedrag te delen door 3 is de behoefte van [minderjarige 2] vast te stellen op € 543,- per maand. Gesteld noch gebleken is dat van dit uitganspunt dient te worden afgeweken.
3.5.5.Verder zijn partijen het erover eens dat beide stiefouders niet onderhoudsplichtig zijn voor [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] . Enkel de draagkracht van de man en de vrouw zijn van belang bij de herberekening van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] .
3.5.6.Daarnaast zijn partijen het erover eens dat de man ook onderhoudsplichtig is voor de minderjarige [minderjarige 2] , evenals zijn partner [naam 2] .
Draagkracht van de onderhoudsplichtigen
3.5.7.Beoordeeld moet worden in welke verhouding de behoefte van de [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] tussen de verschillende onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van ieders draagkracht.
3.5.8.Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de verschillende onderhoudsplichtigen vastgesteld worden. Daarbij wordt gerekend met de tarieven van 2023-tweede helft.
3.5.9.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2023, waarop een jaarloon staat genoemd van € 90.666,-, op € 4.714,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de arbeidskorting.
3.5.10.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2023, waarop een jaarloon staat genoemd van € 59.054,-, op € 3.480,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
3.5.11.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de partner van de man aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2023, waarop een jaarloon staat genoemd van € 39.031, op € 2.862 per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.5.12.De draagkracht van de man, de vrouw en de partner van de man wordt, omdat hun NBI hoger is dan € 1.930,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.175)] en bedraagt:
€ 1.488,- per maand voor de man;
€ 883,- per maand voor de vrouw;
€ 580,- per maand voor de partner van de man.
Toerekening van de draagkracht naar rato van de behoefte van de kinderen
3.5.13.De man bepleit om zijn draagkracht evenredig over de drie kinderen te verdelen. Dit wordt door de vrouw betwist en zij voert aan dat naar rato van de behoefte van de kinderen de toerekening van de draagkracht dient plaats te vinden.
3.5.14.Gelet op de verschillende behoeftes van de drie kinderen zal de rechtbank hierna berekenen hoe de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is. De drie kinderen ten opzichte van wie de man een wettelijke onderhoudsplicht heeft, hebben een totale behoefte van € 2.163,- per maand ( [jong-meerderjarige] € 810,- per maand, [minderjarige 1] € 810,- per maand en [minderjarige 2] € 543,- per maand).
3.5.15.De toerekening van de draagkracht van de man aan de drie kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is, wordt berekend volgens de formule: de behoefte van ieder kind afzonderlijk gedeeld door de totale behoefte van de drie kinderen vermenigvuldigd met de draagkracht van de man, ofwel:
toerekening van de draagkracht voor [jong-meerderjarige] : € 810 / € 2.163 x € 1.488 = € 557,-
toerekening van de draagkracht voor [minderjarige 1] : € 810 / € 2.163 x € 1.488 = € 557,-
toerekening van de draagkracht voor [minderjarige 2] : € 543 / € 2.163 x € 1.488 =
€ 374,-
samen de totale draagkracht van de man van € 1.488,-
3.5.16.Vervolgens zal berekend worden hoe de draagkracht van de vrouw naar rato van de behoefte van de kinderen toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig is. De twee kinderen ten opzichte van wie de vrouw een wettelijke onderhoudsplicht heeft, hebben een totale behoefte van € 1.620,- per maand ( [jong-meerderjarige] € 810,- per maand, [minderjarige 1] € 810.- per maand).
3.5.17.De toerekening van de draagkracht van de vrouw aan de twee kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig is, wordt berekend volgens de formule: de behoefte van ieder kind afzonderlijk gedeeld door de totale behoefte van de twee kinderen vermenigvuldigd met de draagkracht van de vrouw, ofwel:
toerekening van de draagkracht voor [jong-meerderjarige] : € 810 / € 1.620 x € 883 = € 442,-
toerekening van de draagkracht voor [minderjarige 1] : € 810 / € 1.620 x € 883 =
€ 442,-
samen de totale draagkracht van de vrouw van € 884,-.
3.5.18.Vervolgens zal berekend worden hoe de draagkracht van de partner van de man naar rato van de behoefte van de kinderen toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig is. Dit kind ten opzichte van wie de partner van de man een wettelijke onderhoudsplicht heeft, heeft een totale behoefte van
( [minderjarige 2] € 543,- per maand).
3.5.19.De partner van de man is enkel onderhoudsplichtig voor [minderjarige 2] . Zij heeft daarom haar hele draagkracht van € 580,- beschikbaar voor [minderjarige 2] .
3.5.20.De toegerekende draagkracht van de man voor [minderjarige 2] bedraagt € 374,- per maand. De toegerekende draagkracht van de partner van de man voor [minderjarige 2] is € 580,- per maand. De gezamenlijke draagkracht (€ 954) is hoger dan de behoefte van [minderjarige 2] (€ 543).
Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders voor [minderjarige 2] beschikbare draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het deel van de man bedraagt: € 374 / € 954 x € 543 = € 213,-
het deel van de partner van de man bedraagt: € 580 / € 954 x € 543 =
€ 330,-
samen € 543,-
Van de totale behoefte van [minderjarige 2] komt dus een gedeelte van € 213,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 330,- per maand voor rekening van de partner van de man.
3.5.21.Dit betekent dat de man van de toegerekende draagkracht voor [minderjarige 2] een bedrag van € 161,- per maand (€ 374,- minus € 213,-) voor twee kinderen overhoudt, dat wil zeggen € 81,- per maand per kind. Dit bedrag wordt overgeheveld naar de draagkracht voor [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] . Die bedraagt dan € 638,- per maand (€ 557 + € 81).
3.5.22.Zoals hierboven al berekend bedraagt de draagkracht van de vrouw € 442,- per maand per kind.
3.5.23.Voor [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] wordt ieders aandeel berekend volgens de formule: ieders voor deze kinderen beschikbare draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het deel van de man bedraagt: € 638 / € 1.080 x € 810 = € 479,-
het deel van de vrouw bedraagt: € 442 / € 1.080 x € 810 =
€ 331,-
samen € 810
Derhalve komt van de totale behoefte van [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] een gedeelte van € 479,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 331,- per maand voor rekening van de vrouw.
3.5.24.Gezien de nu vast te stellen zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw gemiddeld minder dan een dag per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] . Hierbij hoort een zorgkorting van 5%. Deze zorgkorting past de rechtbank ook toe voor [jong-meerderjarige] in de periode van 11 december 2023 tot 28 februari 2025 (in de periode dat [jong-meerderjarige] nog minderjarige was).
3.5.25.De rechtbank ziet geen aanleiding zoals door de vrouw wordt bepleit om de zorgkorting te verhogen met de reiskosten die de vrouw voor de minderjarigen financiert op de momenten dat de minderjarigen naar Texel gaan en weer teruggaan. Dat valt onder de gemaakte afspraak van partijen waarbij de vrouw zelf heeft gezegd deze reiskosten voor haar rekening te nemen.
3.5.26.Omdat de behoefte van [minderjarige 1] en [jong-meerderjarige] € 810,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 40,- per maand.
3.5.27.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de vrouw verminderd met dit bedrag, zodat de vrouw als onderhoudsbijdrage ten behoeve van [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] aan de man moet betalen € 291,- per maand. Met ingang van 28 februari 2025 valt de zorgkorting voor [jong-meerderjarige] weg. De onderhoudsbijdrage voor [jong-meerderjarige] bedraagt vanaf dat moment € 331,- per maand.
Aanpassing draagkracht van de vrouw
3.5.28.De vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat zij nog steeds aflost op een huwelijkse schuld met een bedrag van € 454,- per maand en dat deze schuld drukt op haar draagkracht. De man betwist de lening en voert bovendien hij aan dat de vrouw deze lening inmiddels al had kunnen aflossen. De vrouw heeft bij de verhuizing naar Texel haar voormalige woning met een overwaarde verkocht. De gelden voortkomend uit die verkoop had de vrouw dan ook kunnen gebruiken voor het aflossen van de nog openstaande schuld, voor zover daarvan sprake is, aldus de man.
De rechtbank verwijst naar het rapport over bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden. Daarbij kan slechts met een last rekening worden gehouden als het gaat om een niet verwijtbare en niet vermijdbare last. Omdat de rechtbank verder geen stukken heeft gezien over deze schuld, behalve dan dat uit het convenant bij de echtscheidingsbeschikking blijkt dat partijen bij de ING een persoonlijke lening hadden, is verder niet vast te stellen dat deze schuld er nog steeds is. Bovendien ontbreekt van de zijde van de vrouw onderbouwing waarom zij deze schuld nog niet heeft afgelost. De enkele stelling “ik los nog af op een huwelijkse schuld” is niet te kwalificeren als een niet te vermijden en niet te verwijten last en laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing.
3.5.29.De man bepleit om bij de vrouw met de helft van de woonlasten rekening te houden omdat zij het woonbudget met haar partner kan delen. Dit wordt door de vrouw betwist. De rechtbank volgt het betoog van de man niet en verwijst naar het rapport en neemt het woonbudget mee aan de zijde van de vrouw. Ook hier volgt de rechtbank het rapport waarin is opgenomen dat slechts als sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien. er reden is om af te wijken van het woonbudget. Nu geen sprake is van een tekort aan draagkracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een aanpassing.
3.5.30.Gezien het voorgaande is een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] van € 291,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Daarbij wijzigt de situatie ten aanzien van [jong-meerderjarige] bij het bereiken van zijn achttienjarige leeftijd (28 februari 2025) en vanaf dat moment blijkt de vrouw in staat tot het betalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jong-meerderjarige] van € 331,- per maand.
Indexatie terugwerkende kracht
3.5.31.Op grond van artikel 1:402a lid 2 BW wordt een bij beschikking vastgestelde onderhoudsbijdrage geïndexeerd per 1 januari volgend op de datum van de beschikking. Er is niet expliciet verzocht de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht te indexeren. Toch leest de rechtbank dit in het verzoek de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht vast te stellen.
3.5.32.Gezien het voorgaande is een door de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage van
€ 291,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, op basis van de tarieven 2023. Omdat de onderhoudsbijdrage in 2025 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2024 ieder jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.