Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:13433

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/10/706244 / KG ZA 25-905
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgangsregeling niet-ouder wegens belangen minderjarigen

De man, die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot twee minderjarige kinderen, verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen waarbij de kinderen in de even weken van vrijdag tot zondag bij hem zouden verblijven. De vrouw, de verzorgende ouder en moeder van de kinderen, voerde gemotiveerd verweer.

De rechtbank stelde vast dat de man ontvankelijk was en dat er sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking, mede omdat de kinderen hem als 'papa' aanspraken en hij een periode deel uitmaakte van het gezin. Het uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met een persoon die in een nauwe persoonlijke betrekking staat, tenzij dit ernstig nadeel oplevert.

De vrouw had een burn-out en paniekaanvallen, waarvoor zij in therapie was en medicatie gebruikte. De voorzieningenrechter achtte de kans reëel dat een omgangsregeling zou leiden tot psychische achteruitgang van de vrouw en een loyaliteitsconflict bij de kinderen, wat ernstige schade zou veroorzaken. Daarom werd de vordering van de man afgewezen omdat omgang in strijd is met het belang van de minderjarigen.

De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis werd gewezen door mr. drs. J. van den Bos en op 13 november 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot omgang wordt afgewezen omdat dit niet in het belang is van de minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team familie
Zaaknummer: C/10/706244 / KG ZA 25-905
Vonnis in kort geding van 13 november 2025
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [plaats 1] , [gemeente] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. L.M. Baltazar de Seixas,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats 2] , [gemeente] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. N.S. van der Werf.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 11 september 2025 met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord met bijlagen;
  • de berichten met bijlagen van de man van 16 oktober 2025 en 29 oktober 2025.
1.2.
De zaak is behandeld op 30 oktober 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .

2.De feiten

2.1.
De vrouw heeft twee minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] .
Zij oefent het eenhoofdig gezag uit over de kinderen.
2.2.
De biologische vader, tevens de juridische vader, van de kinderen is overleden.
2.3.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben daarbij een periode samengewoond.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert een omgangsregeling te bepalen in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij hem verblijven.
3.2.
De vrouw voert gemotiveerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering om in die vordering te worden ontvangen.
4.2.
De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De voorzieningenrechter acht het vooralsnog voldoende aannemelijk dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking (
family lifein de zin van artikel 8 EVRM Pro). Vaststaat namelijk dat de man een periode deel heeft uitgemaakt van het gezin en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hem aanspraken als “papa”. De omstandigheid dat de relatie tussen partijen is geëindigd, betekent niet dat de nauwe persoonlijke band tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de man wordt verbroken. Partijen hebben aanvankelijk ook zelf afgesproken dat er omgang zal blijven bestaan tussen de man en de kinderen. Eerst was dit op regelmatige basis een weekend. Later heeft de vrouw dit teruggebracht tot één dag in de twee a drie weken.
4.3.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
4.4.
Het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staat dus voorop. Het is in hun belang dat de vrouw, als verzorgende ouder, overeind blijft.
4.4.1.
De vrouw heeft in dit verband onweersproken aangevoerd dat zij in therapie is gegaan bij een psycholoog en ook behandelingen voor traumaverwerking heeft gehad. Zij is herstellende van een burn-out en heeft vanaf maart 2025 paniekaanvallen gehad. Voor deze paniekaanvallen gebruikt zij medicatie. Tijdens de mondelinge behandeling raakt de vrouw ook zichtbaar van slag op de vraag van de voorzieningenrechter wat er zou gebeuren als er contact komt tussen de man en de kinderen.
4.4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de kans reëel is dat er twee dingen gebeuren als er nu een contactregeling wordt bepaald. Ten eerste, dat de vrouw psychisch onderuit gaat. Het staat buiten kijf dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar onmiddellijk de zware nadelige gevolgen van zouden ondervinden. Ten tweede, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een zodanig loyaliteitsconflict worden geduwd dat zij daarvan grote schade ondervinden. Dat weegt niet op tegen de belangen van de man, die nu eenmaal niet de biologische vader van de kinderen is. De slotsom is dan ook dat de omgang in dit geval en op dit moment in strijd is met de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zodat de voorzieningenrechter de vordering van de man zal afwijzen. Al hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking.
4.5.
Gelet op aard van de procedure zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.