ECLI:NL:RBROT:2025:13412

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
C/10/705473 / FA RK 25-6428
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen omgangsregeling en alimentatie na huiselijk geweld

De rechtbank Rotterdam behandelde op 6 november 2025 een zaak over voorlopige voorzieningen in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man met betrekking tot de omgangsregeling en alimentatie.

Partijen zijn gehuwd sinds 2021 en hebben een minderjarige zoon. De vrouw verzocht om toewijzing van de zorg voor het kind en exclusief gebruik van de woning, wat onbetwist werd toegewezen. De man vroeg om een zorgregeling waarbij het kind meerdere dagen bij hem zou verblijven, maar de rechtbank stelde een beperkte omgang vast vanwege een voorgeschiedenis van ernstig huiselijk geweld en een lopend contactverbod.

De man woont bij zijn ouders, volgt behandeling voor ADHD en agressieproblemen, en heeft professionele begeleiding. Veiligheidsafspraken zijn gemaakt via Veilig Thuis en het contact vindt onder strikte voorwaarden plaats. De rechtbank acht het belang van het kind en veiligheid leidend en wijst een zorgregeling toe die aansluit op het werkrooster van de man met contact op neutraal terrein.

Verder stelde de rechtbank de kinder- en partneralimentatie vast op respectievelijk €265 en €406 per maand, rekening houdend met het inkomen van partijen, de zorgkorting en de feitelijke situatie van de vrouw. Proceskosten worden ieder door eigen partij gedragen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorzieningen toe met toewijzing van de zorg aan de vrouw, exclusief gebruik van de woning, beperkte omgangsregeling en vastgestelde alimentatieverplichtingen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/705473 / FA RK 25-6428
Beschikking van 6 november 2025 over voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats ] ,
advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats ] ,
advocaat mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 24 oktober 2025;
  • het verweerschrift op zelfstandig verzoek, ingekomen op 28 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn op 13 december 2021 met elkaar gehuwd.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats] ,
2.3.
De vrouw heeft twee minderjarige kinderen uit eerdere relaties:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] en
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2010 te [geboorteplaats] .
2.4.
De vrouw heeft op 21 augustus 2025 een verzoek tot echtscheiding ingediend, bekend onder nummer C/10/705481 / FA RK 25-6433.

3.De beoordeling

3.1.
Toevertrouwing van de minderjarige
3.1.1.
De vrouw verzoekt de minderjarige [minderjarige 1] aan haar toe te vertrouwen.
3.1.2.
De man weerspreekt het verzoek niet.
3.1.3.
Het verzoek tot toevertrouwing van de minderjarige aan de vrouw wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.2.
Woning
3.2.1.
De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek tijdens de mondelinge behandeling, te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de man te bevelen die woning te verlaten en hem te verbieden die woning verder te betreden.
3.2.2.
De man weerspreekt het verzoek niet.
3.2.3.
Het verzoek van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.2.4.
Het verzoek van de vrouw om het bevel ten uitvoer te kunnen leggen met de behulp van de sterke arm van politie en justitie is tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken en zal worden afgewezen.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De man verzoekt een regeling inzake de verdeling van de zorg-en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, in die zin dat de minderjarige drie aaneengesloten dagen bij de man verblijft ten tijde van zijn vrije dagen en een verdeling van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen, althans een door de rechtbank vast te stellen zorgregeling.
3.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.3.3.
Voor de beoordeling van het verzoek van de man om vaststelling van een voorlopige zorgregeling in het kader van de echtscheiding acht de rechtbank van belang het volgende daarin mee te nemen.
3.3.4.
Partijen woonden tijdens het huwelijk samen met hun zoon [minderjarige 1] van op dit moment drie jaar oud en de twee kinderen van de vrouw uit eerdere relaties, [minderjarige 3] (15) en [minderjarige 2] (9). De vrouw heeft op 10 juni 2025 de echtelijke woning verlaten en is elders gaan wonen. Op 19 juni 2025 heeft de vrouw aangifte gedaan en op 20 juni 2025 heeft [minderjarige 3] aangifte gedaan van huiselijk geweld gepleegd door de man tijdens de samenwoning. Op basis van deze aangiften is aan de man bij beschikking van 21 juni 2025 een huisverbod opgelegd. In de aangiften wordt melding gemaakt van ernstige incidenten. In de beschikking van de burgemeester is het volgende opgenomen over de door de vrouw gedane aangifte: ‘
De aangifte bestrijkt een aantal jaren van mishandeling, bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsberoving, onderbouwd met filmpjes en fotografisch materiaal. Eén van de schokkendste filmpjes is dat de man met een groot mes op zijn keel door de kamer naar de vrouw loopt en schreeuwt dat hij er klaar mee is. Kennelijk wil hij een einde aan zijn leven maken. Op dat moment is het kleine zoontje getuige en is te zien dat de vrouw huilt en de handen voor de ogen van hun zoontje houdt, zodat hij dit niet hoeft te zien.’
3.3.5.
De man is naar aanleiding van de aangiften in verzekering gesteld en er heeft een strafzitting plaatsgevonden. Inmiddels verblijft hij bij zijn ouders. Ten tijde van de mondelinge behandeling gold nog steeds een contactverbod voor de man jegens de vrouw.
3.3.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank haar zorgen geuit over de ernst van de incidenten, zoals deze uit de aangiften volgen, en dat de minderjarigen hiervan getuige of zelfs slachtoffer zijn geweest. De man heeft deze zorgen, en zijn aandeel hierin, beaamd. Hij heeft daarop aangegeven dat het kwartje is gevallen door de strafzitting en dat hij met zichzelf aan de slag is gegaan. Hij krijgt bij Fivoor professionele begeleiding om meer inzicht te krijgen in zijn problematiek en hoe hij met agressie-impulsen om kan gaan. Tijdens deze behandeling is naar voren gekomen dat hij ADHD heeft. Sinds hij geen ADHD-medicatie meer gebruikt, zit hij beter in zijn vel. Hij woont bij zijn ouders, werkt meer thuis en kan zich terugtrekken wanneer hij overprikkeld dreigt te raken. Doordat hij weet waar het vandaan komt, kan hij er beter mee omgaan. Tweemaal per week heeft hij gesprekken met de Reclassering.
3.3.7.
Partijen hebben in juli 2025 bij Veilig Thuis veiligheidsafspraken gemaakt waarmee de omgang tussen de man en de minderjarige is opgestart. Het eerste contact heeft onder begeleiding van Veilig Thuis plaatsgevonden. Daar kwamen geen zorgen uit naar voren, zodat de contactmomenten onbegeleid met de gemaakte veiligheidsafspraken zijn voortgezet. De veiligheidsafspraken houden in dat het contact over [minderjarige 1] via oma moederszijde verloopt, dat de overdracht bij oma moederszijde plaatsvindt en dat het contact op een neutrale plek plaatsvindt. De minderjarige komt niet bij de man thuis, (ook) omdat daar een grote hond verblijft. Het contact vindt sinds juli 2025 plaats op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur en soms tussen 13.00 en 19.00 uur. Volgens partijen hebben er sindsdien zo’n 5 à 10 contactmomenten plaatsgevonden.
3.3.8.
De omgangsmomenten verlopen volgens de man goed en kunnen worden uitgebreid, het liefst met overnachtingen. De man heeft een onregelmatig rooster en werkt in roosterblokken van 35 dagen, waarbij hij 7 dagen werkt, 5 dagen vrij is, 7 dagen werkt, 5 dagen vrij is, 7 dagen werkt en 4 dagen vrij is. Volgens de huidige afspraken vindt het contact op zaterdag plaats. De man is niet alle zaterdagen vrij, waardoor hij de minderjarige vaker een langere periode niet ziet. Hij verzoekt een zorgregeling vast te stellen die beter aansluit op zijn werkrooster, zodat er meer regelmaat is in het contact met de minderjarige. Dat zou betekenen dat hij elke 10 dagen omgang heeft met de minderjarige. Hij begrijpt dat er een opbouw in het contact moet zijn en stelt voor dat het contact in overleg met de betrokken hulpverlening wordt uitgebreid van één naar anderhalve dag en uiteindelijk naar de door hem verzochte regeling van drie dagen omgang (met overnachting) in de periode waarin hij vijf vrije dagen heeft en twee dagen omgang in de periode waarin hij vier vrije dagen heeft.
3.3.9.
Over het verloop van de zorgregeling heeft de vrouw – voor zover zij daar zicht op heeft - geen zorgen geuit. Zij kan de positieve opstelling van de man beamen en staat achter het vormgeven van een zorgregeling tussen de man en de minderjarige, maar maakt zich zorgen over de onvoorspelbaarheid van de man. Zij benadrukt dat de minderjarige pas drie jaar oud is en dit veel (geduld) vergt van een opvoeder. Tijdens de relatie had de man last van stemmingswisselingen en voor de vrouw is nog niet duidelijk waar de triggers voor de man zitten. Het contact tussen de man en de minderjarige moet met voldoende waarborgen worden omkleed om de veiligheid van de minderjarige te kunnen waarborgen. Zij verzet zich tegen de door de man voorgestelde uitbreiding van het contact.
3.3.10.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat er veel gebeurd is tussen partijen en dat, als de rechtbank komt tot een uitbreiding van het contact, het contact voorzichtig zal moeten worden opgebouwd. De raad hecht er vooral aan dat partijen hulpverlening inschakelen om de omgang te evalueren.
3.3.11.
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling een positieve indruk van de man gekregen en hoe hij met zijn problematiek omgaat. De man erkent zijn aandeel in het geheel en is met zichzelf aan de slag gegaan, zodat hij meer inzicht krijgt in zijn problematiek, de triggers en hoe geweldsincidenten zoals voorheen kunnen worden voorkomen. Ook acht de rechtbank het positief dat de vrouw haar vertrouwen heeft uitgesproken in de zorgregeling zoals deze nu loopt. Omdat de man een werkrooster heeft waarbij hij niet altijd op zaterdag vrij is en het van belang is voor de minderjarige dat er regelmaat zit in het contact met de man, zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen die aansluit op het rooster van de man en het contact laten plaatsvinden tijdens de vrije dagen van de man. Tot zover acht de rechtbank het verzoek van de man toewijsbaar.
3.3.12.
Een (verdere) uitbreiding van het contact in frequentie of met overnachting(en) en vakanties of feestdagen acht de rechtbank op dit moment niet in het belang van de minderjarige. De positieve ontwikkelingen aan de zijde van de man zijn nog pril en moeten nog bestendigen in een situatie waarin nog veel onduidelijk is en het evenwicht precair is. Een belangrijke veiligheidswaarborg acht de rechtbank dat de man op dit moment bij zijn ouders inwoont en het contact buitenshuis plaatsvindt (ook vanwege de grote hond). Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de man steeds zeven dagen achtereen werkt en zichzelf de tijd moet geven om om te schakelen naar volledige en beheersbare aandacht voor de minderjarige. De man kan zich in de huidige situatie terugtrekken wanneer het hem teveel wordt en hij heeft geen huishouden te runnen of andere taken te combineren wanneer hij contact heeft met de minderjarige. Kortom: in deze situatie, waarin hij geen zelfstandige huishouding voert, kan hij zich volledig focussen op het contact met de minderjarige. Dit kan veranderen wanneer de man op zichzelf gaat wonen en hij meer op zichzelf zal zijn aangewezen in combinatie met alle hectiek en verantwoordelijkheden die daarbij horen. Niet valt in te schatten wat de invloed daarvan is op de man. Ook geldt op dit moment nog een contactverbod van de man jegens de vrouw, wat de nodige rust zal geven in de situatie. De rechtbank is van oordeel dat er in de komende tijd nog veel variabelen zijn die de situatie uit het kwetsbare evenwicht kunnen brengen. Op dit moment is nog onduidelijk wanneer het evenwicht kan kantelen en daarmee de veiligheid van de minderjarige in het geding kan komen. De rechtbank acht het daarom van essentieel belang dat de bij Veilig Thuis afgesproken veiligheidsafspraken ten aanzien van de omgang, waarop het vertrouwen van de vrouw op dit moment is gebaseerd, voorlopig worden gehandhaafd. Daar hoort ook bij dat de man inzichtelijk maakt hoe het met hem gaat, welke vorderingen hij maakt in zijn behandeling en dat hij op tijd aangeeft wanneer hij overbelast dreigt te raken en dat de man ook met zijn behandelaren in gesprek blijft over de omgang.
3.3.13.
De rechtbank zal bepalen dat de man voorlopig in de periode waarin hij (vijf of vier aaneengesloten dagen) vrij heeft steeds uitsluitend op de tweede dag van zo’n blok van 12.00 uur tot 17.00 uur contact heeft met de minderjarige, zolang hij bij zijn ouders inwoont. De man zal de minderjarige ophalen bij oma moederszijde en hem daar ook weer terugbrengen. De man zal tijdens het contactmoment met de minderjarige op neutraal en openbaar terrein verblijven. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat zij elkaar over en weer via een schriftje dat meegaat met de overdracht zullen informeren over hoe het met de minderjarige gaat. De rechtbank heeft als tip aan ouders meegegeven om zaken betreffende de minderjarige zo op te schrijven, dat het later voor de minderjarige leuk is om zelf terug te lezen. Dat betekent dus geen verwijten of lelijke zaken. Verdere communicatie zal nog steeds via oma moederszijde gaan, in ieder geval zolang het contactverbod geldt. De rechtbank zal daarbij bepalen dat deze voorlopige zorgregeling zal gelden zolang de woonsituatie van de man (bij zijn ouders) ongewijzigd blijft.
3.3.14.
De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de raad dat het van belang is dat partijen het verloop van de omgang en de eventuele vragen of problemen waar zij tegenaan lopen te bespreken bij het Wijkteam of Centrum voor Jeugd en Gezin. Zo nodig kunnen zij daar de behandelaren van de man bij betrekken. Op het moment dat de man op zichzelf gaat wonen, zal in ieder geval tijdig opnieuw samen met hulpverlening moeten worden gekeken naar de situatie en wat dit voor mogelijke consequenties voor de veiligheid van de minderjarige heeft. Dit alles overwegende geeft de rechtbank vooral aan partijen mee: vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Het is de verantwoordelijkheid van de man om aan de vrouw te laten zien dat hij betrouwbaar is en blijft in het vormgeven van een veilige omgang met de minderjarige.
3.4.
Onderhoudsbijdragen
3.4.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met een bedrag van € 346,- per maand, net als dat de man moet bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud met een bedrag van
€ 1.500,- per maand.
3.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.3.
De man stelt allereerst dat de verzoeken van de vrouw moeten worden afgewezen, omdat zij haar verzoeken niet voldoende heeft onderbouwd. De rechtbank wijst erop dat deze procedure bedoeld is voor het treffen van een ordemaatregel. Dat een minderjarige geld kost en dat de man daarin dient bij te dragen, is voldoende voor de rechtbank om in ieder geval dat verzoek inhoudelijk te beoordelen. Hetzelfde geldt in minder mate maar toch vergelijkbaar voor de partnerbijdrage. Het primaire verweer van de man wordt dan ook verworpen.
De kinderbijdrage
De ingangsdatum
3.4.4.
De vrouw verzoekt de voorlopige kinderbijdrage vast te stellen met ingang van de datum indiening van het verzoekschrift.
3.4.5.
De man verweert zich niet tegen de verzochte ingangsdatum, zodat de kinderbijdrage met ingang van die datum, te weten 21 augustus 2025, zal worden vastgesteld.
Behoefte
3.4.6.
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen in juni 2025, te verhogen met het kindgebonden budget.
3.4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tijdens het huwelijk niet heeft gewerkt en dat het netto besteedbaar gezinsinkomen werd bepaald door het inkomen van de man. Zij zijn het erover eens dat het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan in 2025 € 3.142,- per maand bedraagt, zoals volgt uit de berekening van de man.
3.4.8.
Het netto gezinsinkomen wordt verhoogd met het kindgebonden budget dat partijen ontvingen. Uit productie 8 van de vrouw blijkt dat partijen in 2025 een kindgebonden budget hebben ontvangen van € 7.778,- per jaar, ofwel € 648,- per maand. Het kindgebonden budget heeft betrekking op [minderjarige 1] en de twee andere kinderen van de vrouw. De rechtbank is, anders dan partijen, van oordeel dat het volledige kindgebonden budget moet worden meegenomen bij de bepaling van het netto besteedbaar gezinsinkomen.
Daarmee bedraagt het netto besteedbaar gezinsinkomen
€ 3.790,- per maand.
3.4.9.
Partijen verschillen van mening over de vraag van welke tabel eigen aandeel kosten kinderen moet worden uitgegaan. De rechtbank deelt de mening van de vrouw dat uitgegaan moet worden van de tabel van 2025 voor drie kinderen, omdat dit aansluit bij de feitelijke situatie waarin [minderjarige 1] deel uitmaakte van een gezin met drie minderjarige kinderen. Ongeacht de vraag of de man onderhoudsplichtig is jegens de andere kinderen van de vrouw, heeft hun aanwezigheid in het gezin invloed op de kosten van [minderjarige 1] . Uit de tabel eigen aandeel kosten kinderen volgt voor drie kinderen volgt een behoefte van € 837,- per maand. De rechtbank berekent de behoefte van [minderjarige 1] op € 279,- per maand.
Draagkrachtberekening
3.4.10.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.4.11.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-2.
3.4.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat ook voor de berekening van de draagkracht van de man uitgegaan wordt van zijn huidige netto besteedbaar inkomen van € 3.142,- per maand en dat de man een draagkracht heeft van € 623,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de berekening van de man, overgelegd (productie 3, berekening 5 Draagkrachtberekening), met welke berekening de vrouw heeft ingestemd en door de rechtbank wordt overgenomen.
3.4.13.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de financiële afspraken die partijen bij Veilig Thuis hebben gemaakt. Partijen betichten elkaar van het niet-nakomen van deze afspraken. Daarover kan de rechtbank in deze procedure niets beslissen. De financiële afspraken van Veilig Thuis komen te vervallen met het vaststellen van een kinderbijdrage door de rechtbank per 21 augustus 2025. Dat betekent ook dat partijen gehouden zijn hun eigen aandeel van de woonlasten te voldoen en dat het kindgebonden budget aan de vrouw als verzorgende ouder toekomt. Partijen zijn het erover eens dat de door de man te betalen woonlast van de echtelijke woning gelijk is aan de forfaitaire woonlast en er geen aanleiding is om – in geval van een tekort aan draagkracht - af te wijken van de forfaitaire woonlast in de draagkrachtformule.
3.4.14.
Ter discussie staat het inkomen van de vrouw. De vrouw heeft niet gewerkt tijdens het huwelijk en heeft op dit moment geen inkomen uit arbeid of uitkering. De man stelt zich op het standpunt dat desondanks uitgegaan moet worden van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.500,- bruto per maand.
3.4.15.
Los van het feit dat in het kader van voorlopige voorzieningen geen ruimte is voor nader feitelijk onderzoek naar de verdiencapaciteit van de vrouw, acht de rechtbank het toekennen van verdiencapaciteit aan de vrouw op dit moment ook niet reëel. De vrouw heeft op dit moment de volledige zorg voor drie minderjarige kinderen en heeft daarnaast onweersproken gesteld dat zij op korte termijn therapieën zal ondergaan vanwege de gebeurtenissen die zich tussen partijen hebben voorgedaan. De vrouw is aan het solliciteren, maar heeft nog geen zicht op een baan en heeft nog geen uitkering op grond van de Participatiewet. Op basis van de afspraken die bij Veilig Thuis zijn gemaakt, heeft de vrouw de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen sinds het uiteengaan voor haar rekening genomen. In strijd met deze afspraken heeft de man het kindgebonden budget niet aan de vrouw doorgestort, zodat de vrouw voor het voldoen van deze kosten heeft moeten interen op het spaargeld dat zij heeft uit de verkoop van haar woning. Indien in deze situatie uitgegaan wordt van een fictief inkomen van de vrouw van € 2.500,- bruto per maand, acht de rechtbank voorstelbaar dat de vrouw in financiële nood zal komen te verkeren met als gevolg dat (ook) niet volledig kan worden voorzien in de kosten van de minderjarige. De rechtbank zal daarom aansluiten bij de feitelijke situatie waarin de vrouw geen inkomen heeft. Dat laat onverlet dat daarover in de bodemprocedure anders geoordeeld kan worden.
3.4.16.
Het huidige NBI van de vrouw wordt vastgesteld op het kindgebonden budget van € 648,- per maand dat zij vanaf nu ontvangt. Omdat de vrouw de verzorgende ouder is, wordt gelet op het rapport geen draagkracht aangenomen.
Draagkrachtvergelijking
3.4.17.
De man kan met zijn draagkracht volledig voorzien in de behoefte van de minderjarige.
Zorgkorting
3.4.18.
De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 25%. De vrouw voert verweer en acht een zorgkorting van maximaal 15% redelijk.
3.4.19.
Gezien de nu vast te stellen zorgregeling acht de rechtbank een zorgkorting van 5% passend. Volgens deze regeling heeft de man minder dan één dag per week omgang met de minderjarige.
3.4.20.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 279,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 14,- per maand.
3.4.21.
De eerder berekende bijdrage van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 265,- per maand.
Conclusie
3.4.22.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 265,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.4.23.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Partnerbijdrage
Ingangsdatum
3.4.24.
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de partnerbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.
3.4.25.
Uitgangspunt van de wet is datum beschikking. De vrouw heeft onvoldoende gesteld waarom in deze van een andere datum uitgegaan dient te worden. Daarom zal de rechtbank de datum van deze beschikking als ingangsdatum vaststellen.
Behoefte
3.4.26.
De man betwist de hoogte van de door de vrouw gestelde behoefte van € 2.268,- netto per maand. Uit zijn berekening volgt dat de vrouw een huwelijksgerelateerde behoefte heeft van € 1.440,- netto per maand.
3.4.27.
De rechtbank overweegt dat medebepalend voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde de welstand is waarin partijen tijdens het huwelijk hebben geleefd. Verder zijn alle relevante omstandigheden van belang waaronder het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk, aan de hand waarvan wat betreft de kosten van het levensonderhoud het inkomensniveau kan worden bepaald waarop de onderhoudsgerechtigde na beëindiging van het huwelijk in redelijkheid aanspraak kan maken. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens over de reële of de met zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud worden bepaald. Het voorafgaande komt er op neer dat de bepaling van de behoefte aan partneralimentatie maatwerk is, maar daarvoor is in deze procedure gelet op de aard daarvan geen plaats. De netto behoefte van de vrouw zal dan ook worden berekend aan de hand van de zogenaamde “hofnorm”, een vuistregel die ervan uitgaat dat het besteedbare gezinsinkomen, na aftrek van de kosten van kinderen, beschikbaar was voor de kosten van levensonderhoud van beide partijen. Omdat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner wordt de helft van het te verdelen inkomen met 20% verhoogd. De behoefte kan dan gelijkgesteld worden aan 60% van het netto gezinsinkomen.
3.4.28.
Zoals hiervoor berekend, bedroeg het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief het kindgebonden budget in totaal € 3.790,- per maand. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de drie tijdens het huwelijk tot het gezin behorende kinderen van € 837,- per maand. De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 1.772,- per maand.
3.4.29.
Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, gaat de rechtbank er ook in dit kader vanuit dat de vrouw geen inkomen heeft.
Draagkrachtberekening
3.4.30.
De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen. Op basis van een inkomensvergelijking stelt de man een bijdrage van € 345,- bruto per maand te kunnen voldoen.
3.4.31.
De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport.
3.4.32.
De rechtbank zal uitgaan van het netto besteedbaar inkomen van de man van
€ 3.142,- per maand, omdat partijen het daarover eens zijn.
3.4.33.
De draagkracht van de man wordt, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 533,- per maand.
Conclusie
3.4.34.
Na aftrek van de kinderbijdrage van € 265,- verhoogd met de zorgkorting van in totaal € 14,- per maand resteert een bedrag van € 254,- netto per maand, ofwel € 406,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening.
3.4.35.
Omdat de vrouw geen inkomen heeft, is een inkomensvergelijking niet aan de orde.
3.4.36.
Derhalve is een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van
€ 406,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.
3.4.37.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.5.
Proceskosten
3.5.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd;
4.2.
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] ;
4.3.
beveelt de man met ingang van de datum van deze beschikking de echtelijke woning te verlaten en verbiedt de man deze verder te betreden;
4.4.
bepaalt dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
  • in de periode waarin de man (vijf of vier aaneengesloten dagen) vrij heeft, verblijft de minderjarige steeds uitsluitend op de tweede dag van het blok van 12.00 uur tot 17.00 uur bij de man, waarbij de man de minderjarige ophaalt bij oma moederszijde en hem daar ook weer terugbrengt en de man met de minderjarige op neutraal en openbaar terrein zal verblijven;
  • bepaalt dat deze regeling geldt zolang de woonsituatie van de man (bij zijn ouders) ongewijzigd is;
4.5.
bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 21 augustus 2025 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige op € 265,- per maand, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
4.6.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 406,- per maand, voor toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
4.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.9.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K. Willems, griffier, op 6 november 2025.
Bijlage 1:Berekening draagkracht van de man voor partnerbijdrage