ECLI:NL:RBROT:2025:13334

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
C/10/704487 / JE RK 25-1612
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor overdracht naar het vrijwillige kader

Op 16 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaak van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, betreffende de minderjarige [minderjarige]. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 24 januari 2026, evenals de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter oordeelde dat de verlenging noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige], die nog steeds in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De moeder heeft het ouderlijk gezag en werkt mee aan de hulpverlening, maar kan het contact tussen [minderjarige] en de vader nog niet zelfstandig begeleiden. De GI heeft het verzoek ingediend om de ondertoezichtstelling te verlengen, terwijl de moeder verweer voerde tegen dit verzoek en stelde dat hulpverlening in het vrijwillige kader mogelijk is. De kinderrechter heeft besloten dat er alternatieven zijn in het vrijwillige kader en dat de ondertoezichtstelling niet enkel bedoeld is voor het begeleiden van contact tussen minderjarige en ouder. De kinderrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/704487 / JE RK 25-1612
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.E. Hoogenraad, kantoorhoudende in Maassluis,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 1 augustus 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend om bij de zitting aanwezig te zijn aan een stagiaire van de GI.
2.
De feiten
2.1.
De moeder heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op vrijwillige basis in een jeugdinstelling.
2.3.
Op 24 oktober 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 24 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het als volgt toe. Het gaat best goed met [minderjarige] , maar er zijn ook lastige momenten. Zo is het niet gelukt om haar te motiveren voor speltherapie en wordt nu onderzocht welke hulp zij nodig heeft en passend is. Het afgelopen jaar is heeft de GI zich voornamelijk ingezet voor het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Dit contact is stapsgewijs opgebouwd op een tempo dat past bij de behoeften van [minderjarige] . Op dit moment is er videobelcontact. Door het contact heeft [minderjarige] een beeld van haar vader en dat geeft haar rust. De komende periode wil de GI het contact verder begeleiden en toewerken naar fysiek contact. Daarbij is de ondersteuning van GI noodzakelijk. De moeder werkt goed mee aan de hulpverlening en maakt stappen in haar herstel, maar is er nog niet klaar voor om te communiceren met de vader. De moeder kan het contact tussen de vader en [minderjarige] daarom (nog) niet ondersteunen. De reeds betrokken hulp bij [minderjarige] pakt het contactherstel niet op en een overdracht naar het wijkteam kan een tijd duren, met het risico dat het opgebouwde contact stil komt te liggen. De betrokkenheid van de GI als neutrale partij is dus noodzakelijk om het contact tussen [minderjarige] en de vader consistent te houden.
4.2.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder stelt zich op het standpunt dat de hulpverlening in het vrijwillig kader kan worden geboden en verzoekt primair om het verzoek af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht om de ondertoezichtstelling voor drie maanden uit te spreken voor een overdracht naar het wijkteam. Het gaat wisselend met [minderjarige] . Het ene moment gaat het goed en het andere moment blokkeert zij alle hulp en wil zij niet meer in gesprek met de begeleiders van de groep. De moeder gunt [minderjarige] de hulp die zij nodig heeft en werkt daar in het vrijwillig kader aan mee. Het afgelopen jaar zijn er doelen opgesteld, waar de moeder nu aan voldoet. De moeder heeft hulp gezocht om de gebeurtenissen uit het verleden te verwerken en staat het contact tussen [minderjarige] en de vader niet in de weg. Ook staat de moeder achter de plaatsing van [minderjarige] op de groep. Nu de moeder vrijwillig meewerkt, wordt niet voldaan aan de voorwaarden van een ondertoezichtstelling. Er zijn andere hulpverleningsinstanties in het vrijwillige kader, zoals het wijkteam, die het contact tussen [minderjarige] en de vader kunnen ondersteunen. Daarbij komt dat de huidige jeugdbeschermer weg gaat en dus ook vervangen moet worden. Een overdracht naar het wijkteam is dan passender.

5.De informatie van de vader

5.1.
De vader brengt ter zitting naar voren dat hij het goed vindt als de GI betrokken blijft. Hij vindt het leuk om een vorm van contact te hebben met [minderjarige] en wil dat voortzetten.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De bijna veertienjarige [minderjarige] wordt nog altijd in haar ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] heeft moeite met het reguleren van haar emoties en kan soms lastig gedrag vertonen op de groep. Ondanks de wisselende momenten, zet [minderjarige] grote stappen en is er een stijgende lijn te zien in haar ontwikkeling. De kern van de zorgen is gelegen in het contact tussen [minderjarige] en de vader. Het contact is het afgelopen jaar stapsgewijs opgebouwd en [minderjarige] lijkt dat als fijn te ervaren. Er heeft nog geen fysiek contactmoment plaatsgevonden, wat op termijn wel passend is. De opbouw van het contact is pril en de situatie is kwetsbaar. Het is belangrijk dat de opbouw door blijft lopen, omdat [minderjarige] er last van kan hebben als het contact ineens wordt stilgelegd.
6.3.
Tijdens de zitting is besproken dat de GI vooral betrokken wenst te blijven voor de opbouw van het contact tussen [minderjarige] en de vader. De vraag die ter zitting naar voren is gekomen is of de hulpverlening voor de opbouw van het contact in het vrijwillig kader kan worden geboden. De kinderrechter beantwoordt die vraag bevestigend. De moeder brengt ter zitting naar voren en heeft het afgelopen jaar laten zien dat zij meewerkt met de hulpverlening en [minderjarige] hierin ondersteunt. Het is prettig voor [minderjarige] dat het contact met haar vader wordt begeleid door een vaste hulpverlener die de trajecten monitort en ook de vader hierin ondersteunt. Een ondertoezichtstelling is echter niet enkel bedoeld ter begeleiding van het contact tussen een minderjarige en een ouder. Alhoewel het de moeder nog niet zelfstandig lukt om het contact te begeleiden, bestaan er alternatieven in het vrijwillige kader, zoals het wijkteam, die prevaleren boven het dwangkader. Daarbij komt dat de huidige jeugdbeschermer weg gaat en er dus ook in het kader van een ondertoezichtstelling een nieuw contactpersoon zal komen. Wellicht ten overvloede merkt de kinderrechter op dat de moeder ter zitting heeft aangegeven dat zij het contact tussen de vader en [minderjarige] niet in de weg zal staan.
6.4.
De kinderrechter zal gezien het bovenstaande de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van drie maanden met afwijzing van het overig verzochte. Binnen de drie maanden dient er een warme overdracht plaats te vinden naar het wijkteam, zodat zij de moeder, [minderjarige] en de vader vanuit daar verder worden ondersteund.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 24 januari 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 24 januari 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. B. de Pater als griffier, en op schrift gesteld op 29 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikelen 1:260 en 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.