In deze kortgedingprocedure vordert eiser dat gedaagde wordt veroordeeld tot nakoming van een koopovereenkomst voor een woning, door de woning af te nemen en de koopsom te betalen. Gedaagde is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, waarna verstek is verleend.
Eisers stellen dat gedaagde onvoldoende financiële middelen zou hebben, maar gedaagde heeft dit niet met stukken onderbouwd en is niet verschenen om dit toe te lichten. Bovendien zijn er aanwijzingen dat gedaagde wel over middelen beschikt, zoals recente aanschaf van een nieuwe auto, vakantie en oprichting van vennootschappen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is en wijst deze toe. Omdat de boeteclausule in de koopovereenkomst onvoldoende prikkel biedt, wordt een dwangsom opgelegd van €2.000 per dag met een maximum van €150.000. Gedaagde moet binnen twee weken na betekening van het vonnis de woning afnemen en de koopsom betalen.
Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten van €1.369,45. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.