Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de dagvaarding van 5 november 2025, met bijlagen 1 tot en met 8;
- de akte eiswijziging.
3.De beoordeling
4.De beslissing
3349 / 638
Rechtbank Rotterdam
Eiser is eigenaar van een woning geworden via erfopvolging en wil een hypothecair krediet afsluiten om erfbelasting te betalen. Bij notariële controle blijkt dat er een recht van eerste hypotheek rust op de woning ten behoeve van een oude handelsnaam van gedaagde, een rechtspersoon die in 2012 failliet is gegaan en in 2017 is ontbonden. De hypotheek betreft een schuld van 4.000 gulden uit 1968 die volgens eiser allang is afbetaald.
Eiser vordert in kort geding een verklaring dat het hypotheekrecht waardeloos is. De rechtbank verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering tegen gedaagde omdat deze niet meer bestaat en dus geen partij kan zijn. Echter, eiser wordt wel erkend als onmiddellijk belanghebbende en krijgt het recht om de inschrijving van het hypotheekrecht waardeloos te laten verklaren op grond van artikel 3:29 lid 1 BW Pro.
De rechtbank oordeelt dat de hypotheekschuld is afgelost en het recht is tenietgegaan, mede ondersteund door een e-mail van een voormalig bestuurder die bevestigt dat er geen openstaande vordering is. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en gaat in kracht van gewijsde doordat eiser afziet van hoger beroep. Proceskosten worden gecompenseerd omdat gedaagde niet meer bestaat.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de hypothecaire inschrijving waardeloos en wijst het verzoek daartoe toe, ondanks niet-ontvankelijkheid van eiser tegen gedaagde.