2.1.Met het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Het UWV heeft daarbij overwogen dat in de ZW is bepaald dat een ZW-uitkering gedurende maximaal 104 weken, te rekenen vanaf de eerste dag van ongeschiktheid, verstrekt kan worden. Het UWV merkt daarbij op dat de regels van de ZW over de duur van een ZW-uitkering van dwingend recht zijn en dat daarvan niet afgeweken kan worden. Verder heeft het UWV overwogen dat de Wet WIA-boordeling buiten de beoordeling van het bestreden besluit valt.
3. In beroep voert eiser aan dat de reden van bezwaar en van beroep geen verband houdt met de maximum duur van de ZW. Het houdt wel verband met de wijze van uitkeren en berekenen in het kader van de Wet WIA. Daarbij voert eiser aan dat de Wet WIA-uitkering tussentijds herbeoordeeld is, maar dat dit nog niet naar de wens van eiser is. Reeds hierom meent eiser in beroep te moeten komen tegen het bestreden besluit. Daarbij is de vraag in hoeverre en tot hoeveel de ZW-uitkering gekort mocht worden op de Wet WIA-uitkering.
4. In zijn verweerschrift benadrukt het UWV dat de omvang van het geding betrekking heeft op de beëindiging van de ZW-uitkering na 104 weken ziekte. Dit betekent dat in deze zaak alleen beoordeeld kan worden of eiser gedurende de volledige 104 weken ziek is geweest, aldus het UWV. Het UWV merkt daarbij opnieuw op dat de regels omtrent de duur van de ZW-uitkering, zoals vastgesteld in de wet, van dwingend recht zijn, hetgeen betekent dat er geen mogelijkheid is om van deze regels af te wijken.
5. Met zijn brief van 24 september 2025 heeft de gemachtigde van eiser bericht dat met de uitspraak van de Raad van 7 mei 2025 de gronden van zijn beroep achterhaald zijn, maar dat hij het beroep bij gebreke van contact met zijn cliënt niet kan intrekken.
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil dat eiser zich per 4 juli 2022 ziekgemeld heeft en dat deze datum als eerste dag van eisers ongeschiktheid tot werken geldt. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de periode van 104 weken op 30 juni 2024 is geëindigd.
7. De rechtbank stelt verder vast dat, gelet op het gestelde in het beroepschrift, het eiser in deze zaak te doen is om de berekening en of herbeoordeling van de hem toekomende Wet WIA-uitkering en niet om de beëindiging van de ZW-uitkering na 104 weken.
8. De rechtbank is met eiser van oordeel dat met de uitspraak van de Raad van 7 mei 2025 de gronden van eisers beroep tegen het bestreden besluit, zover die in deze procedure al een rol zouden kunnen spelen, zijn achterhaald. Dit brengt mee dat er geen procesbelang is bij een beoordeling van het beroep. Het beroep zal om die reden niet ontvankelijk worden verklaard.