De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne en ecgonine, verwerkt in melasse, in Nederland. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 32 maanden.
Tijdens de terechtzittingen werd vastgesteld dat verdachte handelend onder een bedrijfsnaam een partij melasse had besteld en hierover communiceerde met een medeverdachte. Er was echter geen direct bewijs dat verdachte wist van de aanwezigheid van verdovende middelen in de melasse. De rechtbank vond dat de gang van zaken bij de invoer en de communicatie geen overtuigend bewijs leverden voor wetenschap van de verdachte.
De rechtbank concludeerde dat verdachte mogelijk misbruikt was en dat het scenario dat zij onwetend was over de drugs in de melasse niet kon worden uitgesloten. Daarom werd het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen geacht en sprak de rechtbank verdachte vrij.
De uitspraak bevatte een uitgebreide opsomming van gedragingen die verdachte werd verweten, maar de rechtbank achtte die niet bewezen. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 30 januari 2025.