In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 24 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer, aangeduid als [eiseres], en haar werkgever, het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC). De werknemer was in dienst getreden op 22 oktober 2023 als arts-promovendus, maar er ontstond onenigheid over de hoogte van haar salaris bij aanvang van het dienstverband. De werknemer stelde dat zij te laag was ingeschaald, omdat haar ervaringsjaren als arts-assistent niet waren meegeteld. De kantonrechter had eerder in een tussenvonnis op 4 april 2025 de werknemer opgedragen bewijs te leveren van haar stelling dat Erasmus MC in de praktijk ook ervaringsjaren als arts-assistent meetelt bij de inschaling. De werknemer heeft dit bewijs geleverd, wat leidde tot de conclusie dat zij inderdaad te laag was ingeschaald.
De kantonrechter heeft de vordering van de werknemer tot betaling van achterstallig salaris toegewezen. Erasmus MC werd veroordeeld tot betaling van verschillende bedragen over specifieke periodes, inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Daarnaast werd Erasmus MC verplicht om wettelijke rente en een wettelijke verhoging van 10% te betalen over de achterstallige bedragen. De kantonrechter heeft ook de proceskosten aan de zijde van de werknemer toegewezen, omdat Erasmus MC grotendeels ongelijk kreeg. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de werknemer het vonnis onmiddellijk kan laten uitvoeren, ook als Erasmus MC in hoger beroep gaat.