Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:13032

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
C/10/707310 / KG ZA 25-965
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing geldvordering en buitengerechtelijke incassokosten bij verstek

Eiser vordert betaling van een geldbedrag inclusief buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente van gedaagde, die niet is verschenen tijdens de mondelinge behandeling. De voorzieningenrechter verleent verstek tegen gedaagde omdat deze niet is op komen dagen, ondanks correcte oproeping.

De rechter oordeelt dat de vordering van eiser niet ongegrond of onrechtmatig is en wijst deze toe. Wel wordt verduidelijkt dat wettelijke handelsrente niet verschuldigd is over buitengerechtelijke incassokosten, waarvoor alleen de wettelijke rente geldt. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van diverse bedragen met wettelijke handelsrente vanaf verschillende data tot volledige betaling.

Daarnaast moet gedaagde de proceskosten betalen, die zijn gespecificeerd en begroot op €7.874,21. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en er wordt een extra bedrag opgelegd indien gedaagde niet tijdig betaalt na betekening.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen met wettelijke rente en proceskosten, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/10/707310 / KG ZA 25-965
Vonnis in kort geding van 5 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. T.S. de Rijke,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 29 september 2025, met producties 1 tot en met 29;
  • de mondelinge behandeling van 22 oktober 2025.

2.De beoordeling

2.1.
De voorzieningenrechter verleent verstek tegen [gedaagde] . [gedaagde] is namelijk niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, terwijl bij de oproeping van [gedaagde] in deze zaak alle wettelijke termijnen en regels in acht zijn genomen.
2.2.
De vordering van [eiser] komt de voorzieningenrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en wordt om die reden toegewezen, met inachtneming van het volgende. [eiser] vordert een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoel in artikel 6:119a lid 1 BW. Dit artikel biedt echter geen grondslag voor het toekennen van wettelijke handelsrente over buitengerechtelijke kosten. Slechts de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro zal worden toegewezen.
2.3.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 120,21
- griffierecht € 6.861,00
- salaris advocaat € 715,00 (tarief verstekzaak)
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 7.874,21
2.4.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
  • € 4.824,98 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 1 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 678,22 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 1 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 3.781,01 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 6 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 2.921,29 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 13 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 219,32 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 15 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 4.002,08 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 20 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 3.710,84 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 27 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 10.121,68 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 4 juli 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 10.000,42 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 11 juli 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 13.368,78 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 18 juli 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 13.735,66 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 25 juli 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 12.955,01 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 1 augustus 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 17.156,64 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 8 augustus 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 6.907,94 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 15 augustus 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
  • € 8.834,54 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van het vonnis tot en met de dag van algehele betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de proceskosten van € 7.874,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
3304/1694