ECLI:NL:RBROT:2025:13031

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
C/10/707756 / KG ZA 25-990
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot medewerking aan notariële toedeling van woning in kort geding

In deze zaak, die voor de Rechtbank Rotterdam is behandeld, vordert de vrouw, eisende partij in conventie, dat de man, gedaagde partij in conventie, medewerking verleent aan de notariële toedeling van de woning die aan haar is toegewezen. De vrouw stelt dat de rechtbank bij beschikking van 25 maart 2025 heeft beslist dat de woning aan haar toekomt, en dat zij zekerheid wil dat de woning op haar naam komt, mede in verband met mogelijke beslaglegging door derden. De man verzet zich tegen de vordering en stelt dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft, omdat de toedeling van de woning al vaststaat en er geen risico op beslaglegging is. De rechtbank oordeelt dat de vrouw onvoldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering, omdat zij al in de woning verblijft en verbeteringen heeft aangebracht. De vordering wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. De vorderingen in reconventie van de man worden niet behandeld, omdat de voorwaarde voor deze vorderingen niet is vervuld.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/10/707756 / KG ZA 25-990
Vonnis in kort geding van 5 november 2025
in de zaak van
[naam vrouw],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. Dongelmans,
tegen
[naam man],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.J. van Steensel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 oktober 2025, met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 3;
- de aanvullende producties 14 tot en met 20 van de vrouw;
- de mondelinge behandeling van 22 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn voormalige echtgenoten. Bij beschikking van 6 september 2022 heeft de rechtbank Rotterdam de echtscheiding uitgesproken (ingeschreven op 6 januari 2023). Bij beschikking van 25 maart 2025 is, onder meer, (uitvoerbaar bij voorraad) de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld.
2.2.
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. De vrouw heeft een verweerschrift in principaal appel en verzoekschrift in incidenteel appel ingediend. Deze procedure loopt nog.
2.3.
Tot de huwelijksgemeenschap behoorde de woning aan de [adres] in Capelle aan den IJssel (hierna: de woning). De woning is bij laatstgenoemde beschikking van de rechtbank toegedeeld aan de vrouw. Dit punt is geen onderdeel van het door partijen ingestelde hoger beroep tegen de beschikking.
2.4.
De vrouw is eerder dit jaar een kort geding procedure gestart waarvan de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 april 2025. Partijen zijn toen een schikking overeengekomen. Daarin is onder meer bepaald dat de man een bedrag van € 1.500.000,00 aan de vrouw zou betalen als voorschot op de verdeling van de huwelijksgemeenschap en dat de woning en de vakantiewoning in Spanje zo spoedig mogelijk op de naam van de vrouw zouden komen te staan.
2.5.
Partijen hebben bij brief van 16 april 2025 een notaris ingeschakeld om de toedeling van de woning aan de vrouw te bewerkstelligen. De notaris heeft bij brief van 21 mei 2025 het concept van de akte notariële toedeling aan partijen verzonden. Bij brief van 23 mei 2025 heeft de vrouw op de conceptakte gereageerd.
2.6.
Bij e-mailbericht van 24 juni 2025 heeft de notaris aan de man – samengevat – bericht dat de notaris niet tot het passeren van de akte zal overgaan indien er nog gerechtelijke procedures aanhangig zijn die betrekking hebben op de inhoud van de akte van verdeling en dat de beschikking van de rechtbank dus in kracht van gewijsde zal dienen te gaan voordat de akte zal worden gepasseerd.
2.7.
Bij brief van 25 september 2025 heeft de man bericht dat hij om hem moverende redenen nog niet wenst over te gaan tot de levering van zijn aandeel in de woning aan de vrouw.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de notariële toedeling van de woning, conform de concept akte verdeling en levering registergoed, zoals door de notaris opgesteld en met de aanmerkingen daarop van de vrouw,
  • zulks binnen twee weken na het ten deze te wijzen vonnis,
  • en op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor iedere dag dat de man in gebreke blijft met de nakoming van deze veroordeling,
  • en voor het geval de man weigerachtig blijft met het verlenen van de medewerking aan genoemde akte, dit vonnis in de plaats te stellen van die medewerking,
  • met veroordeling van de man in de (werkelijke) proceskosten van de vrouw.
3.2.
De vrouw legt – samengevat – aan de vordering het volgende ten grondslag. De rechtbank heeft onherroepelijk beslist dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld. Partijen zijn daarnaast bij schikking overeengekomen dat de woning zo spoedig mogelijk op de naam van de vrouw zal worden gezet. De vrouw wil zekerheid dat de woning op haar naam komt, ook in verband met mogelijke beslaglegging door derden. Daarnaast wenst de vrouw zelf te kunnen beschikken over de woning om verbouwingen en/of verbeteringen aan de woning aan te brengen.
3.3.
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vordering van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de (werkelijke) kosten van deze procedure.
3.4.
De man voert het volgende aan. De vrouw heeft geen belang bij haar vordering omdat toedeling van de woning aan de vrouw reeds vast staat. Daarnaast heeft de notaris aangegeven dat hij niet zal overgaan tot het passeren van de akte zolang de beschikking van de rechtbank niet in kracht van gewijsde is gegaan. Ook ontbreekt het spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering van de vrouw. De vrouw kan reeds volledig beschikken over de woning en van enige schulden (zowel privé als van de onderneming) is geen sprake, zodat er geen beslaglegging dreigt. Bovendien is de man het niet eens met de inhoud van de conceptakte van de notaris en wil de man om die reden niet meewerken aan levering van zijn aandeel in de woning aan de vrouw op de wijze die is voorgesteld. Tegenover die levering zou bovendien gelijktijdig een aantal aandelen van de vrouw in [VOF X] moeten worden overgedragen aan de man.
in voorwaardelijke reconventie
3.5.
De man vordert, indien de conventionele vordering van de vrouw wordt toegewezen, – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de verlettering en levering aan de man van een zevental aandelen in de besloten vennootschap [VOF X] , tegelijk met de levering van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw,
  • en voor het geval de vrouw die medewerking aan de verlettering en de levering van deze zeven aandelen weigert, te bepalen dat deze beschikking in de plaats treedt van de door de vrouw te verlenen medewerking,
  • met veroordeling van de vrouw in de (werkelijke) proceskosten van de man.
3.6.
De man legt – samengevat – aan de vordering het volgende ten grondslag. Wanneer het aandeel van de man in de woning aan de vrouw wordt geleverd, heeft de vrouw in totaal een voorschot op de verdeling ontvangen van ongeveer 3,7 miljoen euro, terwijl de vrouw nog geen enkel aandeel aan de man heeft overgedragen. Feitelijk vindt er dus geen verrekening plaats en dat zou wel moeten. Dat kan plaatsvinden door overdracht van aandelen.
3.7.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
3.8.
De vrouw voert het volgende aan. De levering van aandelen van de vrouw aan de man is geen onderdeel geweest van de overeenstemming die partijen hebben bereikt aangaande de woning. Dit is dus geen vereiste voor de toedeling van de woning aan de vrouw. Bovendien stelt de man zich nu in deze procedure pas voor het eerst op dit standpunt.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Eén van de vereisten om een vordering in een kort geding te kunnen toewijzen, is dat de partij die de vordering instelt voldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing daarvan. Het moet daarbij gaan om een situatie waarin, vanwege de feiten en omstandigheden van de zaak, het treffen van een onmiddellijke voorlopige voorziening noodzakelijk is en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw op dit moment onvoldoende spoedeisend belang bij haar vordering heeft en dat die vordering alleen al om die reden moet worden afgewezen. De voorzieningenrechter licht dit toe als volgt.
4.2.
De rechtbank heeft bij beschikking van 25 maart 2025 de woning toegedeeld aan de vrouw. De woning is geen onderdeel van het hoger beroep dat partijen hebben ingesteld tegen de beschikking. Dat de woning toekomt aan de vrouw staat dus niet ter discussie. Voorts is gebleken dat de vrouw al sinds 2021 in de woning verblijft en de man elders woont. De vrouw heeft reeds verbeteringen en verbouwingen aan de woning laten uitvoeren. In deze situatie brengt het willen verrichten van verbeteringen en verbouwingen aan de woning geen spoedeisendheid met zich.
Daarnaast heeft de vrouw op de mondelinge behandeling het standpunt ingenomen dat het spoedeisend belang ook bestaat uit de vrees voor mogelijk beslag op de woning. Dit is echter niet nader, en dus onvoldoende, onderbouwd. Van een concreet risico op beslaglegging op de woning door schuldeisers is niet gebleken.
4.3.
Gezien deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank het treffen van een onmiddellijke voorlopige voorziening op dit moment niet noodzakelijk.
4.4.
Hierbij komt dat op de zitting is gebleken dat tussen partijen in discussie is of er al dan niet overeenstemming bestaat over het gelijktijdig ‘afrekenen’ door de vrouw voor de levering aan haar van het aandeel van de man in de eigendom van de woning, door hem aangeduid als ‘boter bij de vis’. Verder heeft de man aangegeven het niet eens te zijn met een aantal punten van de conceptakte en dat de notaris de akte niet zal passeren indien het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank nog loopt.
Voorts is de verdere afwikkeling (deels) afhankelijk van de uitkomst van de procedure in hoger beroep. Op de zitting is gebleken dat in januari 2026 al de zitting bij het Hof plaatsvindt.
4.5.
De vordering van de vrouw wordt in deze situatie wegens onvoldoende spoedeisend belang afgewezen.
4.6.
Gelet op de voormalige relatie tussen partijen worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om een van partijen in de werkelijke proceskosten van de ander te veroordelen.
in voorwaardelijke reconventie
4.7.
De vorderingen in reconventie zijn voorwaardelijk ingesteld. Uit de beslissing in conventie vloeit voort dat de voorwaarde niet is vervuld, zodat op de vorderingen in reconventie geen beslissing hoeft te worden gegeven.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in voorwaardelijke reconventie
5.3.
stelt vast dat de vorderingen geen behandeling behoeven.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
3304/1694