De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot september 2026. De moeder voert verweer en stelt dat de GI nauwelijks betrokken is geweest en dat hulpverlening via Enver adequaat is, waarbij de omgang tussen de minderjarige en vader is herstart en wordt uitgebreid. De vader steunt een verlenging als stok achter de deur.
De kinderrechter beoordeelt dat de wettelijke voorwaarden voor verlenging niet meer zijn vervuld: er is geen ernstige ontwikkelingsbedreiging meer en de ouders accepteren de noodzakelijke hulpverlening. De betrokkenheid van de GI is minimaal en niet langer noodzakelijk voor het hulpverleningstraject.
De kinderrechter complimenteert de ouders met hun inzet en benadrukt het belang van hun gezamenlijke verantwoordelijkheid. De ondertoezichtstelling wordt daarom niet verlengd. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.