De rechtbank Rotterdam heeft op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die eerder is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van januari 2020 tot maart 2021. De ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie betrof het vaststellen en ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit het ontnemingsproces-verbaal bleek dat de veroordeelde een bedrag van €334.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel had behaald. De verdediging betwistte de hoogte van dit bedrag niet. De rechtbank achtte de berekening voldoende onderbouwd en stelde het bedrag vast op €334.000.
Vanwege het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel en de inbeslagname van geldbedragen en goederen bij de veroordeelde, werd de betalingsverplichting verminderd tot €200.000. De rechtbank legde deze betalingsverplichting op aan de veroordeelde. Tevens werd de maximale duur van de gijzeling vastgesteld op 480 dagen voor het geval van niet-betaling.
Deze beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en volgt op procesafspraken tussen partijen. Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam.