ECLI:NL:RBROT:2025:12811

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 september 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
11490132 CV EXPL 25-935
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2 overeenkomstArt. 237 RvArt. 6:119 BWArt. 3:296 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gastgezinovereenkomst labradoodle wegens niet-nakoming door gastgezin

De zaak betreft een geschil over een gastgezinovereenkomst waarbij een labradoodle bij het gastgezin van eiseres was geplaatst, maar eigendom bleef bij de fokker. De overeenkomst stelde dat de fokker te allen tijde bevoegd was de hond terug te halen indien het gastgezin zich niet aan de afspraken hield.

Op 12 december 2023 nam de fokker de hond mee na een dierenartsbezoek, wat leidde tot een procedure waarin eiseres stelde dat de fokker onrechtmatig handelde en de overeenkomst niet was geëindigd. De fokker stelde dat de overeenkomst rechtsgeldig was beëindigd wegens tekortkomingen in de verzorging en samenwerking door het gastgezin.

De kantonrechter volgt het oordeel van het hof in hoger beroep dat de fokker bevoegd was de hond terug te halen en dat de overeenkomst op 12 december 2023 rechtsgeldig is beëindigd. Dit oordeel is gebaseerd op bewijs waaronder verklaringen van dierenarts en trimmer die tekortkomingen in de vachtverzorging bevestigen, en het ontbreken van perspectief op goede samenwerking.

De eis van eiseres wordt afgewezen en de tegenvordering van de fokker wordt toegewezen. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Uitkomst: De overeenkomst is rechtsgeldig beëindigd op 12 december 2023 en de eis van eiseres wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11490132 CV EXPL 25-935
datum uitspraak: 26 september 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. N. Claassen,
tegen
1. [persoon B]die tevens handelt onder de naam [handelsnaam B] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
2. [persoon C],
woonplaats: [woonplaats 3] ,
gedaagden in conventie,
eiseressen in reconventie,
gemachtigden: mr. D.M. Bons en mr. D. Molenkamp.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’, ‘ [persoon B] ’ en ‘ [persoon C] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaardingen van 19 december 2024 met eis in incident en in de hoofdzaak, met bijlagen 1 - 18;
  • het antwoord in incident en in de hoofdzaak, met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen 1 - 16;
  • het antwoord in reconventie;
  • de brief van [persoon B] en [persoon C] , met bijlage 17;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen.
1.2.
Op 15 juli 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [persoon A] en haar gemachtigde en met [persoon B] en [persoon C] en hun gemachtigden.

2.De beoordeling

De zaak in het kort
2.1.
[persoon B] en [persoon C] fokken honden. Op basis van een zogenoemd gastgezin contract hebben zij de labradoodle [naam hond] bij (het gezin van) [persoon A] geplaatst. Op 12 december 2023 hebben [persoon A] met [naam hond] en [persoon B] een bezoek gebracht aan de dierenarts. Na afloop van het bezoek heeft [persoon B] [naam hond] meegenomen. In deze procedure eist [persoon A] verklaringen voor recht, die erop neerkomen dat [persoon B] en [persoon C] onrechtmatig gehandeld hebben en dat de overeenkomst niet geëindigd is, met veroordeling tot afgifte van [naam hond] . [persoon B] en [persoon C] eisen op hun beurt verklaringen voor recht, die erop neerkomen dat de overeenkomst al beëindigd is of dat voorzetting van de overeenkomst niet gevergd kan worden. Zij eisen in dat laatste geval de overeenkomst te beëindigen. De eis van [persoon A] wordt afgewezen en de eis van [persoon B] en [persoon C] wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Wat is er gebeurd?
2.2.
Tussen de fokker van labradoodle [naam hond] en [persoon A] is een gastgezin contract (hierna: de overeenkomst) aangegaan op grond waarvan de pup [naam hond] geplaatst is bij (het gezin van) [persoon A] . De overeenkomst houdt - samengevat - in dat teef [naam hond] geplaatst wordt in het gastgezin, maar dat de eigendom van [naam hond] bij de fokker blijft, om met de hond te fokken. Als fokker en eigenaar worden vermeld:
“ [persoon D] en [persoon B] ”. Bepaald is dat het gastgezin aansprakelijk is voor de verzorging en gezondheid van [naam hond] , waaronder
“goede vachtverzorging”. Bepaald is ook dat fokker te allen tijde bevoegd is om [naam hond] op te halen, mocht fokker constateren dat het gastgezin zich niet aan de afspraken houdt. In de overeenkomst zijn tevens bepalingen opgenomen die zien op de medewerking van het gastgezin aan het fokken met [naam hond] , onder meer wat betreft het beschikbaar houden en ophalen van de hond.
2.3.
In april 2023 heeft [naam hond] bij [persoon C] thuis een nest puppy’s geworpen. Enkele van die puppy’s zijn nadien overleden. [naam hond] is vervolgens weer teruggekeerd naar [persoon A] .
2.4.
Bij brief van 19 oktober 2023 schreef de (toenmalige) gemachtigde van [persoon B] aan [persoon A] :
“Cliënte is eigenaar van [naam hond] . Met u is op 03 juni 2021 overeengekomen dat [naam hond] bij u zou verblijven als gezinshond, maar eigendom is en blijft van cliënten, en beschikbaar blijft voor de fokkerij van cliënte. Met [naam hond] is afgelopen voorjaar conform die overeenkomst een nestje gefokt. Van uw zijde is op 23 juni jl. het contact met cliënte verbroken. U reageert niet op telefoontjes en berichten en zoekt ook eigener beweging geen contact met cliënte. U schendt daarmee de bepalingen van de overeenkomst.
Cliënte wil [naam hond] beschikbaar houden voor fokkerij, zoals met u contractueel overeengekomen. Indien u de overeenkomst niet nakomt, is cliënte gerechtigd om [naam hond] overeenkomstig artikel 1.2 van de ondertekende overeenkomst terug te vorderen. Zij wil hier nog niet direct toe overgaan, omdat zij begrijpt dat u aan [naam hond] gehecht bent. Cliënte eist echter wel dat u zich aan de overeenkomst zult houden en derhalve ook op een normale manier en regelmatig met haar contact onderhoudt over leven en welzijn van [naam hond] , en [naam hond] beschikbaar houdt voor de handelingen die voor de fokkerij noodzakelijk zijn. (…)”
2.5.
Op 12 december 2023 hebben [persoon A] met [naam hond] en [persoon B] een bezoek gebracht aan de dierenarts, waarna [persoon B] [naam hond] heeft meegenomen tegen de zin van [persoon A] in.
2.6.
Bij vonnis in kort geding van 22 februari 2024 heeft de kantonrechter te Gouda (verkort weergegeven) [persoon B] veroordeeld tot afgifte van [naam hond] aan [persoon A] onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag tot maximaal € 3.500,-. De tegeneis van [persoon B] is afgewezen. [persoon B] is in de kosten veroordeeld.
2.7.
[persoon B] is in hoger beroep gegaan tegen het kort geding vonnis. In de tussentijd is [naam hond] niet afgegeven aan [persoon A] , maar wel de dwangsom betaald.
2.8.
Bij dagvaarding van 19 december 2024 is [persoon A] deze bodemprocedure begonnen, waarin vandaag uitspraak wordt gedaan. Samengevat eist [persoon A] , na eiswijziging ter zitting, om:
voor recht te verklaren dat [persoon B] en [persoon C] onrechtmatig hebben gehandeld door de overeenkomst zonder valide grond buitengerechtelijk te ontbinden en eigenmachtig tot het terughalen van [naam hond] over te gaan;
voor recht te verklaren dat de overeenkomst tussen partijen niet (buitengerechtelijk) ontbonden is en dus niet hierdoor geëindigd is;
voor recht te verklaren dat de opzegging van de overeenkomst in strijd met de redelijkheid en billijkheid is en dus niet hierdoor geëindigd is;
[persoon B] en [persoon C] te veroordelen om [naam hond] bij haar thuis af te geven en om medewerking te verlenen aan omzetting van de borg in een koopovereenkomst, met een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 20.000,-;
[persoon B] en [persoon C] of alleen [persoon B] te veroordelen tot betaling van € 551,81 aan executiekosten, met rente
[persoon B] en [persoon C] te veroordelen in de proceskosten.
2.9.
[persoon B] en [persoon C] zijn het daarmee niet eens. Samengevat eisen zij nu:
primair,
voor recht te verklaren dat de overeenkomst rechtsgeldig op 12 december 2023 is beëindigd (door onmiddellijke opzegging of door buitengerechtelijke ontbinding);
subsidiair,
voor recht te verklaren dat de overeenkomst op 29 februari 2024 rechtsgeldig is opgezegd en zij dus niet gehouden zijn tot afgifte van [naam hond] ;
meer subsidiair
voor recht te verklaren dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een verdere voortzetting van de overeenkomst niet gevergd kan worden en dat de overeenkomst vanaf de datum van het vonnis wordt beëindigd;
met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten, met rente.
2.10.
In het hoger beroep heeft het hof op 3 juni 2025 arrest gewezen [1] . Het hof heeft (verkort weergegeven):
  • het vonnis in kort geding van de kantonrechter te Gouda vernietigd;
  • [persoon A] veroordeeld tot terugbetaling van € 3.500,- (aan dwangsom), met rente;
  • [persoon A] veroordeeld in de kosten van beide instanties, met rente;
  • het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Wat vindt de kantonrechter
Afwijzing van de eis van [persoon A] en toewijzing van de tegeneis van [persoon B] en [persoon C]
2.11.
De eis van [persoon A] wordt afgewezen en de tegeneis van [persoon B] en [persoon C] wordt toegewezen. Dit om de redenen vermeld in genoemd arrest. De overwegingen van het hof maakt de kantonrechter tot de hare. In lijn hiermee komt de kantonrechter tot het oordeel dat de overeenkomst geëindigd is op 12 december 2023 toen [persoon B] [naam hond] uit de macht haalde van [persoon A] en de hond onder zich nam. Anders dan [persoon A] stelt, heeft [persoon B] zich toen niet schuldig gemaakt aan ongeoorloofde eigenrichting. Op grond van de overeenkomst is de fokker, onder wie [persoon B] , immers te allen tijde bevoegd geweest om [naam hond] op te halen als geconstateerd werd dat het gastgezin zich niet aan de afspraken hield. Evenals het hof is de kantonrechter van oordeel dat die constatering in beginsel een eigen inschatting is geweest van de (professionele) hondenfokker. In deze procedure is van de zijde van [persoon B] en [persoon C] voldoende onderbouwd dat [persoon A] tekortgeschoten is in de nakoming van de verplichting tot een goede vachtverzorging bij [naam hond] en de verplichting tot een goede samenwerking, die de overeenkomst ook met zich bracht. Bij dit oordeel wordt betrokken de overgelegde verklaring van de dierenarts, die [naam hond] het laatst heeft gezien, in samenhang met de verklaring van de trimmer waaruit blijkt dat op dat moment geen sprake was van een afdoende vachtverzorging. Wat betreft de noodzakelijke samenwerking aan de zijde van [persoon A] wordt betrokken haar verzet tegen de afgifte van [naam hond] aan fokker. Daaraan worden toegevoegd de felle verwijten die partijen elkaar onderling maken en de wijze waarop [persoon A] op 12 december 2023 zich heeft gedragen, zodat enig perspectief op (alsnog) een goede samenwerking ontbreekt. Gelet hierop is de overeenkomst door opzegging per direct die dag geëindigd.
2.12.
Wat betreft de partijen bij de overeenkomst wordt nog opgemerkt dat zowel [persoon B] als [persoon C] contractspartij geweest is van [persoon A] . De overeenkomst is namelijk gesloten tussen enerzijds de fokker en anderzijds het gastgezin, waarbij als fokker zijn genoemd [persoon D] en [persoon B] en als gastgezin is genoemd [persoon A] . Daarbij wordt opgemerkt dat [persoon C] zich blijkens de stukken bedient van de namen [persoon C] , [persoon D] en [persoon C] .
[persoon A] moet de proceskosten betalen
2.13.
De proceskosten komen voor rekening van [persoon A] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon A] in conventie aan [persoon B] en [persoon C] moet betalen op € 1.218,- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten x € 406,- voor het antwoord in het incident en in de hoofdzaak en de zitting). In reconventie worden deze kosten aan de kant van [persoon B] en [persoon C] begroot op € 203,- aan salaris voor de gemachtigde (1/2 punt x € 406,-). Voor kosten die [persoon B] en [persoon C] maken na deze uitspraak moet [persoon A] een bedrag betalen van € 135,-. Dat is in totaal € 1.556,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.14.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon B] en [persoon C] dat eisen en [persoon A] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat de veroordeling meteen ten uitvoer mag worden gelegd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie
3.1.
wijst de eis van [persoon A] af;
In reconventie
3.2.
verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van 3 juni 2021
rechtsgeldig op 12 december 2023 is beëindigd door onmiddellijke opzegging;
In conventie en in reconventie
3.3.
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten in conventie en in reconventie, die aan de kant van [persoon B] en [persoon C] worden begroot op € 1.556,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 3 juni 2025, zaaknummer 200.338.917/01, ECLI:NL:GHDHA:2025:1016