Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarden van haar winkelpand in Papendrecht voor de jaren 2021 tot en met 2023. De heffingsambtenaar had de waarde aanvankelijk vastgesteld en deze na bezwaar verlaagd, maar eiseres bleef ontevreden en ging in beroep bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de WOZ-waarden, waarbij de heffingsambtenaar de huurwaarde-kapitalisatiemethode (hwk-methode) toepaste, gebruikmakend van vergelijkbare huurprijzen in de regio en een kapitalisatiefactor van 11. Eiseres leverde weinig concrete en samenhangende argumenten en bracht geen eigen huurcontracten in, waardoor haar betwisting onvoldoende was.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en de WOZ-waarden niet te hoog waren vastgesteld. Ook het beroep op effecten van de coronacrisis werd niet gegrond verklaard. Het verzoek om een hogere proceskostenvergoeding en om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard.