ECLI:NL:RBROT:2025:12681

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
C/10/704862 / JE RK 25-1660
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling in complexe echtscheidingszaak met kinderen

Op 7 oktober 2025 heeft de kinderrechter in de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven over de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De zaak betreft een complexe echtscheidingsproblematiek tussen de ouders, die een negatieve impact heeft op de ontwikkeling van de kinderen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat er sprake is van een loyaliteitsconflict. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar de kinderen wonen bij de moeder. De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering heeft verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen voor een jaar, omdat er zorgen zijn over het contact tussen de kinderen en de vader. De moeder heeft verweer gevoerd tegen de verlenging, terwijl de vader instemt met het verzoek. De kinderrechter heeft geoordeeld dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft en heeft deze verlengd tot 26 april 2026, met de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Tevens is er een pro forma datum vastgesteld voor verdere beoordeling van de situatie.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/704862 / JE RK 25-1660
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 augustus 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover voorafgaand aan de zitting, afzonderlijk van elkaar, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 26 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit nader toe. Er is op dit moment nauwelijks contact tussen de kinderen en de vader. Daarnaast verlopen de contactmomenten tussen de GI en de kinderen moeizaam, omdat de kinderen niet in gesprek willen. Het traject bij Family Supporters is bijna afgerond en zij zien geen reden om dit verder te verlengen. De GI is inmiddels langere tijd bij het gezin betrokken, maar ziet geen vooruitgang. Het lukt de GI niet zelfstandig om de situatie te verbeteren. Er zijn nog steeds grote zorgen over het gezin en daarom gaat de GI de situatie van het gezin voorleggen aan het eigen consultatieteam en de Raad voor de Kinderbescherming. De GI vreest dat het contact tussen de kinderen en de vader zal stoppen op het moment dat er geen hulpverlening vanuit het gedwongen kader betrokken is. De GI acht het daarom van belang om langer betrokken te blijven.
4.2.
De moeder voert ter zitting verweer tegen het verzoek van de GI. De moeder heeft nooit achter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gestaan. De moeder heeft alleen meegewerkt aan de hulpverlening, omdat dit werd vereist. Het afgelopen jaar is er weinig contact geweest met Family Supporters en de laatste twee á drie maanden is er geen contact meer geweest. De moeder houdt het contact tussen de vader en de kinderen niet tegen. De kinderen willen zelf geen contact meer met de vader, omdat hij zijn beloftes niet nakomt. Daarnaast neemt de vader geen verantwoordelijkheid over de kinderen. Hij is niet op de hoogte van ziekenhuisbezoeken en ook niet aanwezig bij schoolgesprekken.
4.3.
De vader stemt ter zitting in met het verzoek van de GI. De vader had de situatie liever anders gezien, maar is van mening dat een ondertoezichtstelling op dit moment nog nodig is. Het contact tussen de vader en kinderen is minimaal. De vader ziet dat de kinderen de afgelopen tijd veel schade hebben opgelopen. De kinderen hebben afstand genomen, waardoor de vader geen ruimte krijgt om de situatie en het contact in positieve zin te veranderen. De vader vindt het moeilijk om te bepalen waar hij goed aan doet. Hij is bereid om mee te werken aan alle vormen van hulpverlening om het contactherstel met de kinderen te realiseren en de situatie voor de kinderen te verbeteren.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is sprake van complexe echtscheidingsproblematiek van de ouders waar de kinderen last van ondervinden. De kinderen worden deelgenoot gemaakt van de problematiek van de ouders en bevinden zich in een loyaliteitsconflict, wat bijzonder belastend is en schadelijk voor hun ontwikkeling. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op dit moment weinig tot geen contact met de vader. Het is in het belang van een goede ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij met beide ouders op een onbelaste wijze contact kunnen hebben. Alhoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gesprek met de kinderrechter expliciet hebben gezegd dat zij geen contact met hun vader willen, heeft de kinderrechter in die gesprekken ook aanwijzingen gezien dat de werkelijkheid veel ingewikkelder is. Er zal dus nog steeds ingezet moeten worden op contactherstel. Gelet op de voortgang tot nu toe, is het duidelijk dat het de ouders niet gaat lukken om dit binnen het vrijwillige kader voor elkaar te krijgen. Om daadwerkelijk een verandering teweeg te brengen, is de medewerking van zowel de vader als de moeder noodzakelijk. Het is belangrijk dat de jeugdbescherming nog een laatste poging doet om passende hulpverlening in te zetten om het contact tussen de vader en de kinderen te herstellen. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling blijft daarom noodzakelijk.
5.3.
Ter zitting is besproken dat de mogelijkheden van de GI om verandering te bewerkstelligen eindig zijn. De GI heeft enkele laatste opties genoemd. Het is van belang dat de GI hier in de komende periode voortvarend mee aan de slag gaat. Om te bezien wat hiervan de resultaten zijn en of een verdere verlenging van de ondertoezichtstelling nog van toegevoegde waarde is, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor een kortere periode dan is verzocht, te weten voor de duur van zes maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW). De beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI zal worden aangehouden tot de hierna te noemen pro forma datum.
5.4.
De kinderrechter verzoekt de GI om
uiterlijkvoor de hierna te noemen pro forma datum een rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de moeder en de vader) omtrent de huidige stand van zaken en daarbij te vermelden of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 26 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
en alvorens verder te beslissen:
6.3.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot
1 maart 2026 pro forma;
6.4.
bepaalt dat de GI, de moeder, de vader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.5.
verzoekt de GI
uiterlijkvoor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift daarvan aan de moeder en de vader) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse en L.N. van Geest als griffiers, en op schrift gesteld op 17 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.