In deze zaak, die voor de Rechtbank Rotterdam is behandeld, hebben [eiser 1] en [eiser 2] een huurovereenkomst gesloten met University Housing Rotterdam B.V. voor een woonruimte in Rotterdam van 20 augustus 2022 tot 18 augustus 2023. Na afloop van de huurovereenkomst hebben zij hun borg van € 3.500,- niet terugontvangen. De eisers hebben University Housing aangesproken, maar zonder resultaat. Zij hebben hun gemachtigde ingeschakeld, die University Housing heeft gesommeerd om de onverschuldigd betaalde bedragen, inclusief rente en incassokosten, te betalen. University Housing heeft hierop niet gereageerd.
Na een verstekvonnis op 11 juli 2024, waarin de eisen van de eisers werden toegewezen, heeft University Housing verzet aangetekend. University Housing stelde dat de eisers de verkeerde partij hadden gedagvaard, omdat de verhuurder University Housing Rotterdam B.V. was en niet University Housing. De kantonrechter heeft de zaak opnieuw beoordeeld en geconcludeerd dat de huurovereenkomst inderdaad met University Housing Rotterdam B.V. was gesloten. Dit leidde tot de vernietiging van het verstekvonnis en de afwijzing van de eisen van [eiser 1] en [eiser 2].
De kantonrechter heeft de tegeneis van University Housing toegewezen, waarbij [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk zijn veroordeeld om het onder de ING Bank gelegde beslag op te heffen en de proceskosten te betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk kan worden uitgevoerd, ook als een van de partijen in hoger beroep gaat.