Eiser, voormalig bestuurder van een failliete rijinstructeur-opleiding, vorderde dat gedaagde ProMedia zijn naam uit artikelen en commentaren op een door ProMedia geëxploiteerde website zou verwijderen. ProMedia had daarop voldaan vlak voor de mondelinge behandeling. Eiser trok vervolgens zijn oorspronkelijke vordering in en vorderde alleen nog proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de oorspronkelijke vordering van eiser, waarbij zijn naam uit alle artikelen over de failliete onderneming verwijderd zou moeten worden, beoordeeld moest worden aan de hand van een belangenafweging tussen het recht op privacy van eiser en de persvrijheid van ProMedia. Hoewel het faillissement ruim veertien jaar geleden plaatsvond en de nieuwswaarde daardoor afgenomen was, erkende de rechtbank dat ProMedia nieuwswaarde had in haar berichtgeving.
Toch woog het belang van eiser, die door het voorkomen van zijn naam op de website belemmerd werd in het verkrijgen van financiering en het opzetten van een nieuwe onderneming, zwaarder dan het belang van ProMedia. Daarom zou eiser bij handhaving van zijn vordering in het gelijk zijn gesteld. Dit leidde tot de veroordeling van ProMedia tot betaling van de proceskosten van eiser, begroot op €1.371,92, met een uitvoerbaarverklaring bij voorraad.