ECLI:NL:RBROT:2025:12334
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening zorg op grond van de Wet langdurige zorg wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster, bekend met een zeldzaam immuundysregulatiesyndroom en een verstandelijke beperking, vroeg zorg toe te kennen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wees deze aanvraag af, waarna verzoekster bezwaar maakte. Het bezwaar werd eveneens afgewezen. Verzoekster stelde dat zij 24 uur per dag zorg nodig heeft en dat haar moeder overbelast is.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening om gedurende de beroepsfase zorg toe te kennen. De rechter stelde vast dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij een spoedeisend belang. Dit belang werd door verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt, mede omdat de aanvraag ruim een jaar geleden was ingediend en er nog mogelijkheden zijn via de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Daarnaast oordeelde de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is; er is geen duidelijke aanwijzing dat het CIZ ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en hoeft het CIZ voorlopig geen zorg te verstrekken op grond van de Wlz. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatigheid van het besluit.