ECLI:NL:RBROT:2025:12324

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
C/10/681340 / HA ZA 24-550
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van facturen en bestuurdersaansprakelijkheid in een civiele procedure

In deze civiele procedure vordert eiser, [persoon A], betaling van facturen ter hoogte van € 214.857,07 van gedaagde [bedrijf B 1] voor verrichte werkzaamheden. Daarnaast vordert hij schadevergoeding van gedaagden [bedrijf B 2] en [persoon B] op basis van bestuurdersaansprakelijkheid. Gedaagde [bedrijf B 1] betwist de vordering gedeeltelijk en doet een beroep op verrekening. De rechtbank oordeelt dat de vorderingen tegen [bedrijf B 1] grotendeels toewijsbaar zijn, terwijl de vorderingen tegen [bedrijf B 2] en [persoon B] voor een deel toewijsbaar zijn, maar voor het overige deel nog niet voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank heeft de partijen in de gelegenheid gesteld om aanvullende stukken in te dienen. De zaak heeft een internationaal karakter, waarbij de rechtbank ambtshalve de rechtsmacht en het toepasselijke recht heeft beoordeeld. De rechtbank concludeert dat [persoon B] als bestuurder van [bedrijf B 1] persoonlijk aansprakelijk is voor een deel van de vordering, omdat hij wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat [bedrijf B 1] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. De zaak is aangehouden voor verdere behandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/681340 / HA ZA 24-550
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
[persoon A],
handelend onder de naam [handelsnaam A] ,
gevestigd en kantoorhoudend in [plaats A] ( [land A] ),
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. L.I. Velthuijsen te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf B 1],
gevestigd in [vestigingsplaats B] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf B 2],
gevestigd in [vestigingsplaats B] ,
gedaagde in conventie,
3.
[persoon B],
wonend in [woonplaats B] ,
gedaagde in conventie,
advocaat mr. J.H. Hommel te Rotterdam.
Partijen worden hierna [persoon A] en [persoon B] c.s. genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk [bedrijf B 1] , [bedrijf B 2] en [persoon B] genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze procedure vordert [persoon A] van [bedrijf B 1] betaling van facturen voor een bedrag van in totaal € 214.857,07 voor door hem verrichte werkzaamheden. Van [bedrijf B 2] en [persoon B] vordert [persoon A] hetzelfde bedrag bij wijze van schadevergoeding, omdat [persoon A] meent dat hen als (indirect) bestuurder van [bedrijf B 1] een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. [bedrijf B 1] heeft de vordering voor een gedeelte betwist en een beroep gedaan op verrekening. De rechtbank acht de vorderingen tegenover [bedrijf B 1] grotendeels toewijsbaar. De vorderingen tegenover [bedrijf B 2] en [persoon B] vindt de rechtbank voor een deel toewijsbaar. Voor het overige deel is het debat nog niet voldoende gevoerd, zodat [bedrijf B 2] en [persoon B] in de gelegenheid worden gesteld nog een akte te nemen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 23 februari 2024, met producties 1 tot en met 14;
  • het vonnis in incident van 22 mei 2024, waarin de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd heeft verklaard, met de daarin genoemde stukken;
  • het exploot tot oproeping na verwijzing van 7 juni 2024;
  • het herstelvonnis in het incident van 19 juni 2024;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10;
  • de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie tevens houdende akte overlegging producties 15 tot en met 31d;
  • de brief van 30 november 2024 van [persoon B] c.s. met aanvullende producties 11 tot en met 17;
  • de oproepingsbrief van 14 maart 2025 van de rechtbank voor de mondelinge behandeling op 15 juli 2025;
  • de e-mail van 9 juli 2025 van [persoon B] c.s. met een beter leesbaar exemplaar van de eerder ingediende productie 16;
  • de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling;
  • de mondelinge behandeling van 15 juli 2025, waarbij [persoon B] via een Teams verbinding aanwezig was.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een datum bepaald waarop er zo mogelijk vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[bedrijf B 1] houdt zich onder meer bezig met het plaatsen en demonteren van keukens en [bedrijf B 1] , vooral showrooms. Enig aandeelhoudster en bestuurder van [bedrijf B 1] is [bedrijf B 2] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf B 2] is [persoon B] .
3.2.
[persoon A] exploiteert een interieurdecoratiebedrijf.
3.3.
Vanaf 2020 schakelde [bedrijf B 1] [persoon A] in bij de uitvoering van door [bedrijf B 1] verworven opdrachten. [persoon A] factureerde hiervoor aan [V.O.F. B] . (hierna: de vof).
3.4.
Vanaf 2020 tot en met het eerste kwartaal van 2023 betaalde [persoon A] aan de vof 4% over de omzet die [persoon A] genereerde met de van [bedrijf B 1] gekregen opdrachten.
3.5.
In februari 2023 heeft [persoon C] , de zoon van [persoon B] , het volgende Whatsapp bericht gestuurd aan (onder meer) [persoon A] :
“goedemorgen alle,
vanaf deze vrijdag graag facturen sturen naar onze BV en niet meer naar de VOF
[persoon D] zet straks de gegeven hierop
alvast bedankt”
3.6.
[persoon A] heeft hierna de facturen niet meer naar de vof gestuurd, maar naar [bedrijf B 1] , zoals verzocht.
3.7.
De grootste opdrachtgever van [bedrijf B 1] was Mandemakers Groep.
3.8.
Halverwege 2023 heeft [bedrijf B 1] een deel van haar activiteiten overgedragen aan Mandemakers Groep en haar overige activiteiten aan een andere derde.
3.9.
De facturen van [persoon A] met betrekking tot de werkzaamheden die zij verrichtte in opdracht van [bedrijf B 1] tussen augustus 2022 en augustus 2023 zijn voor een gedeelte van in totaal € 214.857,07 onbetaald gebleven.
3.10.
Op 6 oktober 2023 heeft de advocaat van [persoon A] een sommatiebrief gezonden aan [bedrijf B 1] in verband met de openstaande facturen. De advocaat van [bedrijf B 1] heeft op 9 november 2023 namens [bedrijf B 1] een gedeelte van € 51.187,17 van die facturen betwist.
3.11.
Bij brief van 13 december 2023 heeft [persoon A] inhoudelijk gereageerd op de bezwaren van [bedrijf B 1] en heeft zij [bedrijf B 1] nogmaals primair een termijn gesteld om over te gaan tot betaling van de uitstaande facturen en subsidiair de kans gegeven om binnen die termijn met een betalingsvoorstel te komen.
3.12.
Bij brief van 3 januari 2024 is [bedrijf B 1] bij haar standpunt, dat het door [persoon A] gevorderde bedrag moet worden verminderd met € 51.187,17, gebleven.
3.13.
[persoon A] heeft ter verzekering van haar vordering verlof voor beslaglegging gekregen van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam voor het onbetwiste deel van de vordering. Op 9 februari 2024 heeft [persoon A] ten laste van [bedrijf B 1] conservatoir derdenbeslag laten leggen.

4.Het geschil

in conventie

4.1.
[persoon A] vordert dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair [persoon B] c.s. hoofdelijk en subsidiair alleen [bedrijf B 1] :
I. veroordeelt tot betaling van € 214.857,07, althans van € 163.669,90 of een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente vanaf de datum van de vervaltermijn;
II. veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.923,57, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
III. veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.
4.2.
[persoon A] baseert zijn vorderingen tegen [bedrijf B 1] op nakoming van de betalingsverplichting wegens verrichte werkzaamheden uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst tussen [bedrijf B 1] en [persoon A] . De vorderingen jegens [bedrijf B 2] en [persoon B] zijn gebaseerd op onrechtmatige daad, meer in het bijzonder bestuurdersaansprakelijkheid.
4.3.
[persoon B] c.s. voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de kosten van de procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan voor zover van belang voor de beslissingen op de vorderingen.
in voorwaardelijke reconventie
4.5.
[bedrijf B 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[persoon A] veroordeelt tot betaling aan [bedrijf B 1] van € 21.910,27, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente, primair vanaf 30 juli 2024, subsidiair vanaf 7 augustus 2024;
[persoon A] veroordeelt tot betaling aan [bedrijf B 1] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 994,10 of een door de rechtbank te bepalen bedrag;
[persoon A] veroordeelt in de proceskosten.
4.6.
[bedrijf B 1] baseert deze vordering, die zij gecedeerd heeft gekregen van de vof, voor een deel op nakoming van de tussen de vof en [persoon A] overeengekomen bonusregeling en voor het overige gedeelte op nakoming van de betalingsverplichting van een factuur voor kosten die de vof heeft voorgeschoten voor [persoon A] .
4.7.
[persoon A] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf B 1] in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf B 1] in de procedure.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan voor zover van belang voor de beslissingen op de vorderingen.

5.De beoordeling

in conventie

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [persoon A] in Duitsland is gevestigd en [persoon B] c.s. zijn gevestigd respectievelijk woonplaats hebben in Nederland. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van het geschil van partijen en zo ja, welk recht van toepassing is.
5.2.
In dit geval heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo (Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, is tussen partijen overigens ook niet in geschil. In het vonnis in het incident van 22 mei 2024 is al geoordeeld dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is om over het geschil te oordelen.
5.3.
Ten aanzien van de vraag naar het toepasselijke recht met betrekking tot de vorderingen tegen [bedrijf B 1] is de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken (Rome I-Vo) van toepassing. Op grond van artikel 4 lid 1 onder a Rome I-Vo is Nederlands recht van toepassing.
5.4.
Ten aanzien van de vraag naar het toepasselijke recht met betrekking tot de vorderingen tegen [bedrijf B 2] en [persoon B] is de Rome II-Vo van toepassing (Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen). [bedrijf B 2] en [persoon B] gaan uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht op hun rechtsrelatie. Zij hebben hun standpunten naar Nederlands recht bepleit. Nederlands recht is daarom van toepassing (artikel 14 Rome II-Vo).
De vorderingen op [bedrijf B 1]
5.5.
[persoon A] legt aan zijn vordering op [bedrijf B 1] de volgende stellingen ten grondslag. [persoon A] heeft diensten verricht in opdracht van [bedrijf B 1] . De facturen met betrekking tot de geleverde diensten in de periode tussen augustus 2022 en augustus 2023 zijn (geheel of gedeeltelijk) onbetaald gebleven.
5.6.
[bedrijf B 1] heeft de vorderingen voor een gedeelte van € 163.669,90 erkend. Dit gedeelte van de vordering is dan ook toewijsbaar.
5.7.
Tegen het overige gedeelte van de vordering, te weten € 51.187,17, heeft [bedrijf B 1] verweer gevoerd:
  • Voor een gedeelte van € 20.000,00 heeft zij een beroep gedaan op verrekening, in verband met volgens haar door [persoon A] veroorzaakte schade aan een plafond.
  • Een gedeelte van € 26.897,47 heeft [bedrijf B 1] betwist, omdat zij de verschuldigdheid van de laatste drie door [persoon A] gezonden facturen van in totaal € 26.897,47 betwist, aangezien [persoon A] in de desbetreffende periode niet voor [bedrijf B 1] zou hebben gewerkt.
  • Voor het restant, van in totaal € 4.289,70, heeft [bedrijf B 1] deels een beroep gedaan op verrekening en deels in rekening gebrachte bedragen betwist.
5.8.
Tot slot heeft [bedrijf B 1] nog een beroep gedaan op verrekening van het erkende bedrag van € 163.669,90 met een bedrag van in totaal € 21.910,27. Dit bedrag ziet op twee vorderingen die zij gecedeerd heeft gekregen van de vof. Hierop ziet ook de tegenvordering van [bedrijf B 1] .
5.9.
De rechtbank gaat hierna per onderdeel in op de betwistingen en verweren van [bedrijf B 1] .
Verrekening schade plafond
5.10.
[bedrijf B 1] heeft aangevoerd dat zij een bedrag van € 20.000,00 op de factuur met nummer 10/2023 onbetaald heeft gelaten, omdat [persoon A] haar dit verschuldigd was. [persoon A] had een door hem beschadigd systeemplafond moeten herstellen en heeft dat nagelaten. [bedrijf B 1] heeft daarom de herstelwerkzaamheden zelf uitgevoerd en [persoon A] hiervoor een factuur van € 20.000,00 gezonden. [persoon A] heeft ingestemd met verrekening van deze factuur, aldus [bedrijf B 1] .
5.11.
[persoon A] erkent dat er schade is opgetreden aan het desbetreffende plafond, maar betwist de hoogte van de kosten van de herstelwerkzaamheden. Hij voert ook aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld de herstelwerkzaamheden uit te voeren en dat [persoon B] niet heeft laten zien wat de derde, die de herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, in rekening heeft gebracht bij [persoon B] . Er is dus geen sprake van een rechtsgeldige verrekening.
5.12.
Het beroep op verrekening is een bevrijdend verweer, waarvan de stelplicht en (in voorkomend geval) bewijslast op [bedrijf B 1] rusten. De rechtbank oordeelt dat [bedrijf B 1] haar stelling dat zij € 20.000,00 schade heeft geleden onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. De enkele factuur van haarzelf aan [persoon A] (zie productie 16 van [bedrijf B 1] ) is, gelet op de betwisting van [persoon A] , onvoldoende. De zoon van [persoon A] heeft ter zitting namens zijn vader aangevoerd dat hij zelf naar de bouwmarkt is gegaan en dat hij daar aan materiaal en uren voor het herstel aan het plafond zou zijn uitgekomen op een bedrag van € 3.000,00. Omdat de rechtbank geen andere aanknopingspunten heeft, schat zij de kosten voor het herstel van de schade aan het plafond op € 3.000,00. Voor dit bedrag is het beroep van [bedrijf B 1] op verrekening dus geslaagd en de vordering van [persoon A] is voor dit gedeelte dan ook niet toewijsbaar, voor het overige (€ 17.000,00) wel.
De laatste drie facturen
5.13.
[bedrijf B 1] heeft betwist dat zij de laatste drie door [persoon A] gefactureerde bedragen met factuurnummers 34/2023, 35/2023 en 36/2023 verschuldigd is, omdat [persoon A] in de periode waarop deze facturen zien niet voor [bedrijf B 1] heeft gewerkt. Volgens [bedrijf B 1] had zij toen haar activiteiten al beëindigd, namelijk per 30 juni 2023.
5.14.
[persoon A] heeft ter onderbouwing van zijn vordering een aantal Whatsapp-berichten overgelegd, waaruit zou blijken dat hij ook na 30 juni 2023 nog werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf B 1] . Ter zitting heeft de zoon van [persoon A] namens zijn vader verklaard dat deze facturen zagen op het afronden van een opdracht tot het bouwen van een complete meubelzaak. Volgens [persoon A] was dat project op 30 juni 2023 nog niet af en moest hij van [bedrijf B 1] het project afmaken. [bedrijf B 1] heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat voor zover [persoon A] werkzaamheden heeft verricht in de desbetreffende periode, hij deze in rekening moet brengen bij de Mandemakers Groep, omdat deze die activiteiten heeft overgenomen.
5.15.
De advocaat van [bedrijf B 1] heeft ter zitting verklaard dat er na 30 juni 2023 nog wel “kruimelwerk” door [persoon A] werd verricht, maar dat [bedrijf B 1] na die tijd geen nieuwe opdrachten aan [persoon A] heeft verstrekt. Op de vraag van de rechtbank wat onder “kruimelwerk” moest worden verstaan, antwoordde [persoon B] : “Wij wilden netjes afhandelen wat er nog gaande was ten opzichte van onze klanten.” De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf B 1] hiermee onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij de desbetreffende facturen verschuldigd is.
5.16.
De werkzaamheden zijn verricht binnen een door [bedrijf B 1] gegeven project. Dat [persoon A] een factuur aan [bedrijf B 1] heeft gezonden voor die werkzaamheden is daarom begrijpelijk. [persoon A] heeft er naar redelijkheid op mogen vertrouwen dat dat onder de lopende opdracht viel en dat [bedrijf B 1] in dat kader als contractpartij van [persoon A] heeft te gelden. [bedrijf B 1] heeft [persoon A] er blijkbaar niet (tijdig) op gewezen dat hij betaling zou moeten vragen aan Mandemakers Groep. In deze procedure blijft in het midden of [bedrijf B 1] op haar beurt betaling van Mandemakers Groep zou kunnen verlangen.
5.17.
De conclusie is dus dat dit gedeelte van de vordering, te weten € 26.897,47, toewijsbaar is.
Restant
5.18.
[persoon B] c.s. heeft hierover het volgende aangevoerd.
- Ten aanzien van factuur 38/2022 geldt dat [bedrijf B 1] een bedrag van € 180,00 niet heeft betaald, omdat [persoon A] teveel reistijd in rekening heeft gebracht. Daarover is met [persoon A] op 22 oktober 2022 in Waalwijk bij Piet Klerkx gesproken. [persoon A] stemde in met creditering van dit bedrag.
- Ten aanzien van factuur 49/2022 geldt dat [bedrijf B 1] een bedrag van € 423,00 niet heeft betaald, omdat [persoon A] dat bedrag aan [bedrijf B 1] was verschuldigd voor de koop van gereedschap voor zichzelf ten laste van de rekening van [bedrijf B 1] . Met instemming van [persoon A] heeft [bedrijf B 1] dit bedrag verrekend met factuur 49/2022.
- Ten aanzien van factuur 54/2022 geldt dat [bedrijf B 1] een bedrag van € 352,00 niet heeft betaald, omdat [persoon A] ten onrechte personeel op zaterdag tegen een tarief van 150% heeft laten werken zonder toestemming van [bedrijf B 1] . Daar is [persoon A] op aangesproken en hij stemde ermee in dat [bedrijf B 1] een tarief van 100% zou betalen.
- Ten aanzien van factuur 21/2023 geldt dat [bedrijf B 1] een bedrag van € 734,70 niet heeft betaald, omdat een deel van de gefactureerde werkzaamheden niet goed was uitgevoerd, zoals door [persoon A] erkend. Toen [persoon A] desondanks de herstelwerkzaamheden wel factureerde, heeft [bedrijf B 1] [persoon A] gebeld, waarna [persoon A] erkende dat hij vergeten was zijn administratie op de hoogte te brengen en ermee instemde dat de factuur met € 734,70 zou worden verminderd.
- Ten aanzien van factuur 23/2023 geldt dat [bedrijf B 1] een bedrag van € 2.600,00 niet heeft betaald, omdat met deze factuur ten onrechte uren voor de inzet van personeel in rekening zijn gebracht, omdat daar geen toestemming voor was gegeven. Verder zijn met deze factuur uren in rekening gebracht samenhangende met het vergeten van gereedschap en materiaal. [bedrijf B 1] heeft daar niet mee ingestemd, waardoor zij het gedeelte van € 2.600,00 niet heeft betaald.
5.19.
[persoon A] betwist dat hij heeft ingestemd met de door [bedrijf B 1] aangevoerde crediteringen en verrekeningen, zoals weergegeven in 5.18. Omdat niets is vastgelegd, is het het woord van [bedrijf B 1] tegenover het woord van [persoon A] . De rechtbank ziet evenwel meer steun voor de stellingen van [bedrijf B 1] dan voor die van [persoon A] . [persoon A] heeft niet betwist dat over voornoemde discussiepunten is gesproken en dat [bedrijf B 1] de desbetreffende facturen voor het overige wel heeft voldaan. [persoon A] heeft nog aangevoerd dat [bedrijf B 1] op 22 augustus 2023 heeft erkend dat alle facturen zouden worden voldaan, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat dat ook zag op de (delen van de) facturen waar het hier om gaat. De rechtbank oordeelt daarom dat [persoon A] de gemotiveerde stellingen van [bedrijf B 1] over de crediteringen en verrekeningen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.
5.20.
De conclusie is dan ook dat de vordering voor het gedeelte van € 4.289,70 niet toewijsbaar is.
Verrekening € 21.910,27
5.21.
Tot slot heeft [bedrijf B 1] een beroep gedaan op verrekening van een bedrag van in totaal € 21.910,27. Dit bedrag ziet op twee vorderingen die [bedrijf B 1] op 15 juli 2024 heeft ‘gekocht’ van de vof en dezelfde dag aan haar zijn gecedeerd. [bedrijf B 1] legt hieraan het volgende ten grondslag.
5.22.
Een van de gecedeerde vorderingen, van € 16.027,94, ziet op de niet-nakoming van een bonusregeling op grond waarvan [persoon A] over de door hem gerealiseerde omzet een bedrag van 4% zou moeten voldoen aan de vof (hierna: de 4% regeling). Voor de in het tweede kwartaal van 2023 gerealiseerde omzet is [persoon A] een bedrag verschuldigd van € 16.027,94. Voor dit bedrag is op 4 juli 2023 een factuur gezonden, die zonder protest is gehouden, maar niet betaald.
5.23.
De tweede gecedeerde vordering, van in totaal € 5.882,23, betrof een vordering die volgt uit door [persoon A] op rekening van de vof gekochte gereedschappen en overige zaken. Voor dit voorgeschoten bedrag heeft de vof op 5 juli 2023 een factuur gezonden, die zonder protest is gehouden, maar niet betaald.
5.24.
Het beroep op verrekening van het bedrag van € 16.027,94 op grond van de 4% regeling slaagt. De rechtbank oordeelt daartoe als volgt.
5.25.
[persoon A] heeft aangevoerd dat de 4% regeling inhield dat [persoon A] elk kwartaal 4% over de omzet zou betalen aan de vof als werd voldaan aan twee voorwaarden, namelijk het plaatsen van bestellingen en betaling van de facturen van [persoon A] binnen 4 tot 6 weken. Naarmate de samenwerking voortduurde, betaalde de vof niet altijd meer binnen deze termijn. Toch betaalde [persoon A] de 4% over de omzet omdat de facturen uiteindelijk wel werden voldaan en er een fijne samenwerking was. De vordering ziet op de bonusregeling uit het tweede kwartaal van 2023 en een groot gedeelte van de facturen uit dit kwartaal staat nog open. Hiermee heeft de vof niet voldaan aan de tweede voorwaarde en is [persoon A] niet meer gehouden tot betaling van de 4% over de omzet, aldus [persoon A] .
[bedrijf B 1] betwist dat de betalingsverplichting van [persoon A] pas ontstond als de vof zou betalen binnen de afgesproken termijn.
5.26.
De rechtbank oordeelt hierover dat [persoon A] onvoldoende concreet heeft gemotiveerd dat partijen hebben afgesproken dat [persoon A] de 4% over de omzet pas verschuldigd was als de vof de facturen binnen 4 tot 6 weken zou betalen. Het kan zo zijn dat ieder een verplichting op zich heeft genomen, waarbij de vof zich heeft verplicht om binnen 4 tot 6 weken de facturen van [persoon A] te betalen, maar voor de conclusie dat partijen zijn overeengekomen dat dit een voorwaarde was voor de nakomingsverplichting van [persoon A] , heeft [persoon A] te weinig aangevoerd.
5.27.
Het beroep op verrekening met een vordering van € 5.882,23 wegens voorgeschoten gereedschappen, wordt afgewezen. De rechtbank oordeelt daartoe als volgt.
5.28.
Niet in geschil is dat de gereedschappen met de creditcard van [persoon B] zijn betaald. [persoon A] heeft aangevoerd dat hij en [persoon B] hebben afgesproken dat [persoon B] de kosten van het slijtagemateriaal voor zijn rekening zou nemen en dat [persoon B] dat altijd zou hebben betaald. [persoon B] stelt zich op het standpunt dat het feit dat hij dit een enkele keer heeft betaald niet betekent dat hij dit altijd zou moeten betalen. [bedrijf B 1] betwist niet dat [persoon B] in het verleden hiervoor heeft betaald. Daarmee heeft [bedrijf B 1] in de omstandigheden van het geval onvoldoende onderbouwd gesteld dat deze kosten voor rekening van [persoon A] komen.
5.29.
De conclusie is dat het beroep op verrekening voor een bedrag van € 16.027,94 slaagt en voor het overige niet.
Totaal toegewezen bedrag
5.30.
De conclusie van het voorgaande is dat de vordering van [persoon A] op [bedrijf B 1] voor een bedrag van € 191.539,43 toewijsbaar is, nog te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
€ 214.857,07 (hoofdsom vordering [persoon A] )
€ 3.000,00 (plafondschade)
€ 4.289,70 (restant)
€ 16.027,94 (gecedeerde vordering 4% regeling) -
€ 191.539,43.
De vorderingen op [bedrijf B 2] en [persoon B]
5.31.
Deze vorderingen van [persoon A] zijn gebaseerd op onrechtmatige daad. [persoon A] stelt dat [bedrijf B 2] en [persoon B] als (indirect) bestuurder(s) van [bedrijf B 1] een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken.
5.32.
Uit het voorgaande blijkt dat [bedrijf B 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen jegens [persoon A] . Uitgangspunt is dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook grond bestaan voor aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap.
5.33.
Volgens vaste rechtspraak kan de bestuurder van een vennootschap aansprakelijk zijn jegens benadeelde schuldeisers van die vennootschap als de bestuurder van deze benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een persoonlijk ernstig verwijt is in beginsel sprake indien (onder meer):
de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade (hierna: de eerste situatie).
de bestuurder wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (hierna: de tweede situatie).
De eerste situatie
5.34.
[persoon A] heeft hierover het volgende gesteld. Bij het aangaan van de schulden in de periode vanaf augustus 2022 tot en met augustus 2023 wist [persoon B] of had hij redelijkerwijze behoren te begrijpen dat [bedrijf B 1] niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor schade die [persoon A] zou lijden door het uitblijven van betalingen, gelet op het feit dat [bedrijf B 1] destijds al voornemens was haar activiteiten te stoppen en over te dragen aan de Mandenmakers Groep. [persoon B] wist dus dat er geen inkomen meer gegenereerd zou worden door de vennootschap.
5.35.
De rechtbank oordeelt dat [persoon B] als bestuurder in ieder geval aansprakelijk is ten aanzien van het onbetaald laten van de facturen 34/2023, 35/2023 en 36/2023, voor een bedrag van in totaal € 26.897,47, gelet op het volgende.
5.36.
Hem treft naar het oordeel van de rechtbank een persoonlijk ernstig verwijt, omdat hij wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat [bedrijf B 1] niet aan haar desbetreffende verplichtingen zou kunnen voldoen.
De rechtbank stelt voorop dat deze facturen zien op verrichte werkzaamheden in de periode nadat [bedrijf B 1] haar activiteiten had overgedragen. [persoon B] heeft ter zitting verklaard dat hij alles netjes voor de klant wilde afronden, waarmee hij heeft erkend dat [bedrijf B 1] na het overdragen van haar activiteiten [persoon A] heeft laten doorwerken op het lopende project. Dit blijkt ook uit de door [persoon A] overgelegde Whatsapp berichten, waarin te zien is dat [bedrijf B 1] [persoon A] nog aanwijzingen geeft. Hiervoor heeft [persoon A] dus uren en kosten moeten maken. Dat deze facturen voor rekening van [bedrijf B 1] komen, is hiervoor onder 5.15 tot en met 5.17, al geoordeeld.
5.37.
[persoon B] had moeten begrijpen dat [bedrijf B 1] geen verhaal zou bieden met betrekking tot deze facturen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
5.38.
Ter zitting heeft de advocaat van [persoon B] c.s. aangevoerd dat [bedrijf B 1] in betalingsproblemen is gekomen door wanbetalers. Dit zou gaan om derden die bedragen van € 68.000,00 en € 32.000,00 aan [bedrijf B 1] verschuldigd waren en waarvoor rechtszaken zouden lopen. [persoon B] heeft ter zitting verklaard “Wij hebben altijd geprobeerd alle betalingen te voldoen, maar door rechtszaken en andere problemen zijn wij in financiële problemen gekomen”.
De rechtbank stelt vast dat zelfs als deze bedragen, van in totaal € 100.000,00, wel waren betaald door die derden (of alsnog zouden worden betaald), er onvoldoende middelen zouden zijn om de erkende facturen te voldoen, want die overstijgen het bedrag van €100.000,00 in ruime mate. Laat staan dat er voldoende middelen waren geweest om de genoemde facturen van na 30 juni 2023 te voldoen. Gesteld noch gebleken is dat er andere middelen / vermogen is om de vorderingen te voldoen. In dit kader heeft [persoon A] gesteld dat er ook gezien het negatief eigen vermogen geen verhaal zou zijn, wat ook volgt uit de jaarrekening over 2022. Dit is door [bedrijf B 1] niet gemotiveerd weersproken.
[persoon B] heeft [bedrijf B 1] dus na 30 juni 2023 nog verplichtingen laten aangegaan tegenvoer [persoon A] terwijl hij wist of behoorde te weten dat [bedrijf B 1] hiervoor niet zou kunnen betalen en geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade.
5.39.
Bovendien is tijdens de zitting gebleken dat niet [bedrijf B 1] zelf deze vorderingen heeft op de desbetreffende derden, maar de vof en dat de vof de eisende partij is bij de gerechtelijke procedures ten aanzien van die vorderingen. Ook heeft de advocaat van [persoon B] c.s. verklaard dat een van deze procedures inmiddels met succes is afgerond en dat de opbrengst onder andere is aangewend om de advocaat van [persoon B] c.s. en de griffierechten te betalen. De vraag van de rechter wat moet worden verstaan onder “onder andere” kon de advocaat niet beantwoorden. Slechts is verklaard dat [bedrijf B 1] geen andere schuldeisers heeft dan [persoon A] .
Verder is namens [bedrijf B 1] bevestigd dat de vof geen garanties of waarborgen heeft afgegeven voor (door)betaling door de vof aan [bedrijf B 1] .
[persoon B] heeft ter zitting ook nog verklaard dat op het moment dat hij besloot de activiteiten te beëindigen, er geen goodwill zat in [bedrijf B 1] .
5.40.
Dat sprake is van een situatie waarin [bedrijf B 1] alsnog aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen, zoals door [persoon B] c.s. in algemene zin aangevoerd, volgt niet uit het voorgaande en valt zonder nadere onderbouwing ook niet in te zien.
5.41.
De conclusie is dus dat [persoon B] in ieder geval persoonlijk aansprakelijk is voor een bedrag van € 26.897,47. Deze aansprakelijkheid rust op grond van artikel 2:11 BW ook op [bedrijf B 2] .
De tweede situatie
5.42.
Ten aanzien hiervan heeft [persoon A] het volgende gesteld.
5.43.
[persoon B] heeft bewerkstelligd althans toegelaten dat [bedrijf B 1] haar betalingsverplichting jegens [persoon A] niet nakomt, althans zonder gegronde reden bewust weigert de uitstaande facturen (óók voor zover deze betrekking hebben op het erkende deel) te voldoen. Ook maakt [persoon B] verhaalsmogelijkheden illusoir door de activiteiten van [bedrijf B 1] te beëindigen en over te dragen aan een derde partij, en dus in feite de onderneming op te doeken terwijl hij zelf van zijn pensioen geniet in Spanje en intussen [persoon A] onbetaald achterlaat.
5.44.
Ter zitting heeft [persoon A] hieraan toegevoegd dat de plotselinge scheiding van kosten en baten tussen [bedrijf B 1] en de vof de schijn opwekt van een vooropgezet plan. Dit duidt er op dat [persoon B] voornemens was [bedrijf B 1] te liquideren dan wel failliet te laten gaan, waarbij deze scheiding dat voornemen mogelijk heeft gefaciliteerd of zal kunnen faciliteren.
5.45.
De rechtbank is met [persoon A] eens dat de feiten in deze zaak de schijn wekken dat sprake was van een vooropgezet plan om de activiteiten van [bedrijf B 1] te beëindigen ten koste van [persoon A] , die naar zeggen van [persoon B] c.s. de enige schuldeiser is van [bedrijf B 1] , en overweegt hiertoe als volgt.
5.46.
[bedrijf B 1] heeft ter zitting aangevoerd dat zij in april 2023 heeft besloten haar activiteiten te beëindigen. Zij heeft toen Mandemakers Groep en anderen hierover geïnformeerd. Volgens [bedrijf B 1] heeft zij toen ook [persoon A] geïnformeerd. Dit heeft [persoon A] echter voldoende gemotiveerd weersproken, waarop [bedrijf B 1] onvoldoende concreet en gemotiveerd heeft gereageerd. Zoals hiervoor overwogen heeft [bedrijf B 1] [persoon A] , met wie [bedrijf B 1] een intensieve samenwerking had waarbij veel werd omgezet, laten doorwerken nadat de activiteiten van [bedrijf B 1] al waren beëindigd, waarbij [persoon A] uren en kosten heeft gemaakt.
5.47.
Iets daarvoor, in februari 2023 heeft [bedrijf B 1] (onder meer; zie productie 21 van [persoon A] en in 3.5 hiervoor) [persoon A] verzocht de facturen vanaf dat moment aan [bedrijf B 1] te gaan zenden in plaats van aan de vof. [persoon A] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie onweersproken gesteld dat er vanaf het begin van de samenwerking betalingen van facturen vanuit de vof aan [persoon A] zijn voldaan. Dat [persoon A] na het verzoek in februari 2023 de facturen naar [bedrijf B 1] heeft gezonden en daarvóór aan de vof, vindt steun in de facturen (zie productie 5 bij dagvaarding). De facturen tot en met 4 december 2022 zijn immers aan de vof gericht en de facturen vanaf 26 maart 2023 aan [bedrijf B 1] .
5.48.
Die verschuiving van facturering viel dus min of meer samen met het moment dat [persoon B] besloot de activiteiten te beëindigen. Daarbij komt dat de facturen voor de 4% regeling nog wel aan de vof betaald moesten worden. Volgens [persoon B] c.s. zat er op het moment dat [persoon B] besloot te stoppen met de activiteiten van [bedrijf B 1] , geen goodwill in [bedrijf B 1] , maar wel in de vof. Dat er wel goodwill zat in de vof staat vast, omdat de vof nog een bedrag heeft te vorderen uit hoofde van de 4% regeling en kennelijk ook van de derden waartegen wordt en/of werd geprocedeerd door de vof. En bovendien neemt de rechtbank vooralsnog aan dat betalingen door Mandemakers Groep voor werkzaamheden van onder meer [persoon A] plaatsvonden aan de vof en niet aan [bedrijf B 1] .
5.49.
Zoals hiervoor onder 5.38 en 5.39 is overwogen, hebben [persoon B] c.s. eerder (in de processtukken) aangevoerd dat [bedrijf B 1] wel verhaal biedt, omdat er gerechtelijke procedures lopen waar middelen uit kunnen komen. Maar ter zitting is gebleken dat dit vorderingen van de vof betreft en dat de vof partij is in die procedures. De rechtbank vindt dit misleidend, mede omdat ter zitting door [persoon B] c.s. ook is gezegd dat er geen garanties zijn dat de vof aan [bedrijf B 1] gaat doorbetalen. De rechtbank is hieromtrent niet goed voorgelicht door [persoon B] c.s.
5.50.
[bedrijf B 1] heeft bovendien geen enkele deelbetaling gedaan, terwijl het grootste deel van de aanzienlijke vordering van [persoon A] al door [bedrijf B 1] was erkend. [persoon B] c.s. hebben aangevoerd dat [bedrijf B 1] het erkende bedrag niet heeft betaald omdat zij een deel van de totale vordering betwist en zij eerst helder wilde hebben ten aanzien van welk bedrag eventueel een schikking kon worden overeengekomen. De rechtbank acht dit geen fatsoenlijke opstelling en in elk geval blijkt hieruit niet van een valide reden om niet tot betaling over te gaan van het bedrag dat [bedrijf B 1] hoe dan ook is verschuldigd. Deze handelwijze past veeleer in de aanname van een vooropgezet plan ten koste van [persoon A] .
5.51.
De rechtbank acht het bovenstaande voorshands voldoende als feitelijke grondslag voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid vanwege verhaalsfrustratie. Omdat de stellingen van [persoon A] over een vooropgezet plan voor het eerst ter zitting zijn ingenomen, worden [persoon B] en [bedrijf B 2] in de gelegenheid gesteld hierop (nader) te reageren. De rechtbank verwacht dat zij alsnog goed en volledig wordt geïnformeerd over genoemde procedures tegen schuldeisers van de vof, door tenminste het overleggen van de desbetreffende dagvaardingen – en in de procedure die al is geëindigd, het vonnis – zodat voor de rechtbank onder meer duidelijk wordt wanneer de procedures door de vof zijn gestart.
in voorwaardelijke reconventie
5.52.
[bedrijf B 1] heeft bij haar voorwaardelijke tegenvordering geen belang meer voor wat betreft de hoofdsom, omdat de rechtbank over het verrekeningsverweer al heeft geoordeeld in conventie en, voor zover dit slaagt, dit al in mindering heeft gebracht op het in 5.30 genoemde bedrag.
5.53.
In voorwaardelijke reconventie heeft [bedrijf B 1] over dit bedrag ook de wettelijke handelsrente gevorderd vanaf 30 juli 2024, subsidiair vanaf 7 augustus 2024. De rechtbank gaat uit van 7 augustus 2024, omdat [persoon B] c.s. niet heeft toegelicht waarom rente verschuldigd zou zijn vanaf 30 juli 2024. [bedrijf B 1] heeft in de conclusie van antwoord in conventie van 7 augustus 2024 een beroep gedaan op verrekening. Door verrekening is de vordering in zoverre voldaan, zodat na 7 augustus 2024 geen wettelijke rente meer verschuldigd kan zijn over het bedrag van de verrekening.
5.54.
Bij de vaststelling van de wettelijke handelsrente over het toewijsbare bedrag in conventie moet rekening gehouden worden met deze deelbetaling door verrekening per 7 augustus 2024.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag
12 november 2025voor het nemen van een akte door [persoon B] c.s., zoals omschreven in overweging 5.51,
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
in reconventie
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
3242/1694