Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:12179

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 augustus 2025
Publicatiedatum
17 oktober 2025
Zaaknummer
11325910 CV EXPL 24-24546
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 238 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling energierekeningen bedrijfspand wegens onvoldoende onderbouwing

Tramhuis Vastgoed vordert betaling van jaarrekeningen voor geleverde elektriciteit en gas aan een bedrijfspand aan een specifiek adres voor de jaren 2021 en 2022. De gedaagde betwist de vordering omdat zij geen huurder was van het betreffende pand en zelf een energiecontract had voor het gehuurde pand aan een ander adres.

De rechtbank stelt vast dat de gedaagde niet gevestigd is op het adres dat vermeld staat op de energienota's en dat zij een eigen contract met Eneco heeft voor het gehuurde pand. Tramhuis Vastgoed heeft onvoldoende gesteld om aan te tonen dat het elektriciteitsverbruik voor het andere adres door de gedaagde moet worden voldaan.

Ten aanzien van het gasverbruik erkent de gedaagde dat er een gezamenlijke gasmeter was, maar betwist zij gas te hebben afgenomen in de relevante jaren. Tramhuis Vastgoed kon dit niet voldoende onderbouwen en heeft geen nadere informatie verstrekt ondanks gelegenheid daartoe.

De rechtbank concludeert dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en wijst deze af. Tramhuis Vastgoed wordt veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde.

Uitkomst: De vordering tot betaling van energierekeningen wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11325910 CV EXPL 24-24546
datum uitspraak: 15 augustus 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Tramhuis Vastgoed B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde], die handelt onder de naam
[handelsnaam],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Tramhuis Vastgoed’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 24 september 2024, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord, met bijlagen;
  • de akte van Tramhuis Vastgoed van 5 juni 2025, met bijlage;
  • het e-mailbericht van [gedaagde] van 3 juli 2025, met bijlagen.
1.2.
Op 8 april 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [naam 1] van Pitlo Vastgoed Beheer en de gemachtigde van Tramhuis Vastgoed aanwezig. Namens [gedaagde] was [naam 2] aanwezig met [naam 3] (administrateur).

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
Tramhuis Vastgoed heeft van Eneco voor de jaren 2021 en 2022 afrekeningen voor de levering van elektriciteit en gas aan het bedrijfspand aan [adres 1] ontvangen voor een bedrag van in totaal € 10.324,48. Tramhuis Vastgoed eist in deze procedure dat [gedaagde] als huurder van dit bedrijfspand deze afrekeningen, met rente en kosten, aan haar voldoet. [gedaagde] betwist deze eis, omdat zij in 2021 en 2022 geen huurder was van het bedrijfspand, zij geen gas heeft afgenomen en zij voor de levering van elektriciteit aan het door haar gehuurde bedrijfspand aan [adres 2] een door haarzelf afgesloten energiecontract heeft.
2.2.
Ter zitting is door de kantonrechter vastgesteld dat [gedaagde] niet is gevestigd op het adres [adres 1] dat is vermeld op de jaarnota’s van Eneco, die Tramhuis Vastgoed ter onderbouwing van haar vordering heeft overgelegd. [gedaagde] is gevestigd aan [adres 2] en huurt dit bedrijfspand met ingang van 1 juni 2020 van Tramhuis Vastgoed, zoals blijkt uit de door Tramhuis Vastgoed op de mondelinge behandeling overgelegde huurovereenkomst tussen partijen. Verder staat als niet weersproken vast dat [gedaagde] voor het door haar gehuurde bedrijfspand aan [adres 2] met ingang van 14 juli 2020 tot 13 juli 2023 zelf een contract met Eneco heeft gesloten voor de levering van elektriciteit. [gedaagde] heeft dit contract met Eneco ook in het geding gebracht. Gelet op het voorgaande heeft Tramhuis Vastgoed onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het elektriciteitsverbruik voor het adres [adres 1] door [gedaagde] moet worden voldaan.
2.3.
[gedaagde] heeft erkend dat de adressen [adres 1] en [adres 2] in het verleden een gezamenlijke gasmeter hadden. [gedaagde] betwist in de jaren waarop de onderhavige vordering betrekking heeft, gas te hebben afgenomen. Uit de door Tramhuis Vastgoed overgelegde jaarnota’s van Eneco blijkt wel dat tot 8 april 2022 gas is geleverd, maar Tramhuis Vastgoed heeft desgevraagd op de mondelinge behandeling niet nader kunnen onderbouwen dat dit (mede) leveringen aan [gedaagde] betrof.
Tramhuis Vastgoed is door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek te doen naar het gasverbruik en zich vervolgens daarover (schriftelijk) uit te laten. Tramhuis Vastgoed liet in dat kader weten dat de eigenaar van het gehuurde op de (rol)zitting van 5 juni 2025 zou verschijnen om mondeling inlichtingen te geven over de gasmeter. Hij is echter niet verschenen. Tramhuis Vastgoed heeft verzocht of een nieuwe zitting gepland kan worden, zodat de eigenaar van het pand alsnog inlichtingen kan verschaffen. De kantonrechter honoreert dit verzoek niet, omdat Tramhuis Vastgoed voldoende kansen heeft gehad om deugdelijk te onderbouwen dat het gasverbruik door [gedaagde] moet worden voldaan.
2.4.
De conclusie moet luiden dat Tramhuis Vastgoed, tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. De vordering van Tramhuis Vastgoed wordt dan ook afgewezen.
Tramhuis Vastgoed moet de proceskosten betalen
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van Tramhuis Vastgoed, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die Tramhuis Vastgoed aan [gedaagde] moet betalen op € 50,00 aan onkosten (artikel 238 lid 1 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering van Tramhuis Vastgoed af;
3.2.
veroordeelt Tramhuis Vastgoed in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 50,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
62574