Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:12095

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
16 oktober 2025
Zaaknummer
ROT 25/7797
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.25 APV Rotterdam 2012Zondagswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen evenementenvergunning Grote Schijn Rotterdam 2025

De burgemeester van Rotterdam heeft aan een bedrijf een vergunning verleend voor het organiseren van het evenement 'de Grote Schijn Rotterdam 2025', met een opbouwperiode van 9 tot 16 oktober 2025 en een evenementperiode van 15 oktober tot 2 november 2025.

Verzoekster maakte bezwaar tegen deze vergunning en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de vergunning te schorsen. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 14 oktober 2025 en wees het af. De beoordeling richtte zich op de vraag of de bezwaargronden een redelijke kans van slagen hadden en of de burgemeester in redelijkheid had kunnen besluiten.

Er werd geoordeeld dat het late besluit van de burgemeester, vlak voor de opbouw, geen reden was voor schorsing omdat dit een termijn van orde betrof. De burgemeester had advies ingewonnen bij verschillende instanties, waaronder de DCMR, waarvan de voorwaarden voor geluid en licht integraal waren overgenomen. Het geluidsniveau was beperkt tot 70 dB tot 23:00 uur, met continue monitoring.

Ook het ecologische aspect werd meegewogen; een adviesrapport gaf aan dat geen negatieve invloed op kwetsbare soorten te verwachten was. De voorzieningenrechter vond het gebrek aan een contra-expertise onvoldoende om twijfel te zaaien.

Hoewel begrip was voor de belangen van verzoekster en omwonenden, woog het belang van de vergunninghouder en de stad zwaarder. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en het evenement mocht doorgaan.

Uitkomst: Het verzoek om schorsing van de evenementenvergunning is afgewezen, waardoor het evenement door kan gaan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7797

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

14 oktober 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster,

(gemachtigden: [naam 1] en mr. E.W. van Blommestein),
en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, de burgemeester,

(gemachtigden: mr. W. de Jong, [naam 2] en [naam 3]),
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] uit Amsterdam (de vergunninghouder) (gemachtigden: mr. Q.A. Beelaerts van Blokland en mr. G. Heutink).

Inleiding

1. Met het besluit van 8 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester aan [bedrijf] een evenementenvergunning verleend voor het organiseren van ‘de Grote Schijn Rotterdam 2025’. Uit de vergunning blijkt dat dit evenement start vanaf woensdag 15 oktober 2025 om 19:00 uur en eindigt op 2 november 2025 om 23:00 uur, met een opbouwperiode van 9 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 en een afbouwperiode van 2 november 2025 tot en met 5 november 2025. Op onderdelen is ontheffing verleend van de Zondagswet. Het bezoekersaantal is vastgesteld op 1200 (gelijktijdig).
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster, de gemachtigden van de burgemeester en de gemachtigden van de vergunninghouder. Ook zijn namens de vergunninghouders verschenen [naam 4], [naam 5], [naam 6] en [naam 7].
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna onder de beslissing.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af

Motivering

2.1.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het besluit waartegen bezwaar is gemaakt gebreken vertoont die maken dat het in bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. Daarom beoordeelt de voorzieningenrechter of de bezwaargronden een redelijke kans van slagen hebben.
2.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gegeven dat niet binnen vier weken voorafgaand aan het evenement is beslist op de aanvraag geen aanleiding geeft om een voorlopige voorziening te treffen. De vergunning is, gelet op de termijnen van artikel 2.25, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (APV), tijdig aangevraagd door [bedrijf]. De burgemeester heeft niet binnen de termijn van 2.25b van de APV beslist, maar aan een overschrijding van deze termijn zijn geen consequenties verbonden. Het gaat om een termijn van orde. Dat de burgemeester een dag voor de start van de opbouw de vergunning heeft verleend, verdient niet de schoonheidsprijs, maar uit het dossier volgt dat de burgemeester tot de week voorafgaand aan dat besluit nog adviezen heeft binnengekregen die in de beoordeling van de aanvraag zijn meegewogen. Ook is verzoekster op het moment van de aanvraag in kennis gesteld dat deze was gedaan en betrokken in de advisering over een eventuele aanpassing van de openingstijden, waardoor verzoekster wel op de hoogte was.
2.3.
Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter of de burgemeester in redelijkheid de afweging heeft kunnen maken die zij heeft gemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit het geval is.
2.4.
Voorafgaand aan het verlenen van deze vergunning heeft de burgemeester advies gevraagd aan onder meer de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR), de Politie, de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR) en de Rotterdamse Elektrische Tram N.V. (RET). Door deze partijen is positief geadviseerd, al dan niet onder voorwaarden die door de burgemeester zijn overgenomen. Voor het onderhavige verzoek is met name het advies van de DCMR van 29 september 2025 van belang dat voorwaarden stelt aan de geluids- en lichtaspecten. Deze voorwaarden zijn integraal overgenomen in de vergunning. Zo is er wat betreft het geluid een beperking in tijd (tot 23:00 uur) en in decibel (70dB) opgenomen. Ter zitting is toegelicht dat niet beoogd wordt die norm volledig te benutten en dat het gaat om een geluidsniveau dat het omgevingsgeluid net overstemt. Gedurende het evenement is sprake van continue monitoring. Er mag worden verwacht van een vergunninghouder dat deze voorwaarden en maatregelen zullen worden nageleefd. Gelet op het belang dat vergunninghouder heeft bij het goed verlopen van het evenement en het naleven van de voorschriften, gaat de voorzieningenrechter daar ook vanuit. Voor zover de gestelde normen gedurende het evenement zouden worden overschreden, geldt dat daarvan melding kan worden gemaakt. Ter zitting is door de vergunninghouder aangegeven dat ook bij klachten over geluidsoverlast waarbij geen sprake is van overschrijding van de normen, waar mogelijk zal worden gehandeld om overlast voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken.
2.5.
Over de gronden die verzoekster heeft gericht tegen de onevenredige belasting van kwetsbare natuur overweegt de voorzieningenrechter dat ook dit aspect is meegewogen. Zo blijkt uit de stukken dat er een ecologisch adviesrapport is overgelegd en dat er gedurende de opbouw en het evenement sprake is van ecologische monitoring. Uit deze stukken volgt dat er geen negatieve invloed te verwachten is op de gunstige staat van instandhouding van populaties van kwetsbare soorten. Namens verzoekster is aangegeven dat de betrouwbaarheid van de betrokken ecoloog niet boven twijfel iedere verheven is, maar zonder nadere onderbouwing in de vorm van bijvoorbeeld een contra-expertise, geeft dit standpunt de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor twijfel.
2.6.
Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor het perspectief van verzoekster en de gestelde inbreuk op het woon- en leefgenot van de omwonenden en op de natuur, merkt zij op dat daar ook andere belangen tegenover staan. Zo hebben zowel de organisator als de inwoners van de gemeente belang bij het houden van evenementen in de stad. De burgemeester heeft deze belangen mee mogen wegen bij het verlenen van de vergunning. Hoewel de voorzieningenrechter met verzoekster van oordeel is dat deze belangenafweging nog niet met zoveel woorden terug is te vinden in het bestreden besluit, is dat een gebrek dat in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld en dat daarom naar voorlopig oordeel niet zal leiden tot een gegrond bezwaar.
2.7.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten een doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het belang van vergunninghouder, en de evenementenvergunning te verlenen.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het evenement door mag gaan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2025 door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.