Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna te noemen schuldhulpverlening);
- mevrouw N.J. Eckhardt, beschermingsbewindvoerder;
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster diende op 31 maart 2025 een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting op 8 september 2025 werd vastgesteld dat verzoekster inkomsten ontvangt uit een Participatiewet-uitkering en een schuldenlast heeft van €56.888,99.
De rechtbank beoordeelde of verzoekster te goeder trouw was bij het ontstaan en het onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was, mede vanwege een fraudeschuld van €46.109,61 aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Deze schuld ontstond doordat verzoekster na het overlijden van haar moeder in 2018 nagelaten had de SVB te informeren over het overlijden, waardoor zij jarenlang onterecht uitkeringen ontving.
Verzoekster heeft niet tijdig de SVB geïnformeerd en heeft de onterechte betalingen niet gereserveerd voor terugbetaling. Ook heeft zij niet geprobeerd een betalingsregeling te treffen, maar zich direct tot schuldhulpverlening gewend. Hierdoor is de schuld niet te goeder trouw ontstaan of onbetaald gelaten. Er zijn geen omstandigheden die toelating tot de regeling rechtvaardigen, zodat het verzoek wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden.