ECLI:NL:RBROT:2025:11621

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
6 oktober 2025
Zaaknummer
ROT 25/6271
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:69a AwbArt. 22.1 OmgevingswetArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5.1 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor verbouwing en kozijnvervanging

Verzoekster, woonachtig in dezelfde straat als het pand aan de [adres 1] te Rotterdam, maakte bezwaar tegen de door het college verleende omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het omzetten van de kelder tot extra woonruimte en het vervangen van de kozijnen.

Zij vreesde dat de vergunning kamerbewoning mogelijk zou maken, wat in de buurt bekend staat om overlast. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 september 2025 en wees dit af omdat verzoekster geen spoedeisend belang had.

De voorzieningenrechter overwoog dat de verbouwing op eigen risico van vergunninghoudster plaatsvindt en geen onomkeerbare situatie oplevert. Tevens werd geoordeeld dat de door verzoekster ingeroepen bouwtechnische bepalingen niet haar belangen beschermen en dat het college deze punten in bezwaar moet behandelen.

Ook het betoog over de fietsparkeernorm leidde niet tot een spoedeisend belang, mede omdat het beoogde gebruik geen kamerbewoning betreft en de parkeernorm voor fietsen beperkt is. De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening en hoger beroep of verzet is uitgesloten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6271
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon A] uit [plaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: [persoon B] ).

Samenvatting

1. Het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen de verlening door het college van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het omzetten van de kelder tot extra woonruimte en het vervangen van de kozijnen van het gehele pand aan de [adres 1] in Rotterdam. Verzoekster woont aan de [adres 2] in Rotterdam en is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij vreest onder meer dat met de verleende omgevingsvergunning kamerbewoning mogelijk wordt gemaakt waarvan in de buurt bekend is dat dit voor overlast zorgt. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft met de mondelinge uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, omdat eiseres geen spoedeisend belang heeft
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 7 juli 2025 heeft het college de omgevingsvergunning zoals onder 1 beschreven aan vergunninghoudster verleend
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, vergezeld door [persoon C] , bouwkundige, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster.
2.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Rotterdam (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. [1] Op het perceel waren voor zover relevant vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen “Kralingen-West” en “Parapluherziening parkeernormering Rotterdam” (parapluherziening) van kracht. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft onder meer de enkelbestemming “Wonen”.
3.1.
Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de (binnenplanse) omgevingsplanactiviteit en de (technische) bouwactiviteit. [2] Er is volgens het college geen sprake van strijd met enige planregel.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De conclusie is dat verzoekster, mede gelet op wat zij heeft aangevoerd, geen spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijk oordeel van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster de behandeling van haar bezwaarschrift kan afwachten. Vergunninghoudster verbouwt op eigen risico, maar dit leidt niet tot een onomkeerbare situatie.
4.1.
Voor zover verzoekster betoogt dat de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit ten onrechte is verleend omdat het bouwplan niet voldoet aan de regels van artikelen 3.81 en 3.82 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), stelt de voorzieningenrechter vast dat deze bepalingen, waarin is neergelegd dat een bouwwerk zodanig is dat daglicht in voldoende mate kan toetreden, zijn geschreven ter bescherming van de belangen van de bewoner van de te verbouwen woning. Ze strekken kennelijk niet tot de bescherming van de belangen van verzoekster. In artikel 8:69a van de Awb is geregeld dat verzoekster zulke bepalingen bij de rechter niet kan inroepen. Het gaat hier echter om een voorlopige voorziening hangende bezwaar. De relativiteit kan in bezwaar verzoekster niet worden tegengeworpen. Dat betekent dat het college in het besluit op bezwaar inhoudelijk moet reageren op dit betoog. Toch weegt de voorzieningenrechter bij de beoordeling of verzoekster spoedeisend belang heeft wel mee dat de bepalingen die verzoekster inroept niet haar eigen belangen beogen te beschermen. Met wat verzoekster heeft aangevoerd vindt de voorzieningenrechter niet gelijk duidelijk dat er strijd met de genoemde bepalingen bestaat. In het besluit op bezwaar kan verder op de door verzoekster genoemde punten worden ingegaan, terwijl er ondertussen geen situatie kan ontstaan dat verzoekster in haar belangen wordt geraakt.
4.2.
Het betoog van verzoekster dat er ten onrechte geen omgevingsvergunning is verleend voor een omgevingsplanactiviteit omdat het bouwplan niet voldoet aan de fietsparkeernorm zoals opgenomen in de Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022 (beleidsregeling), leidt evenmin tot het oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang bij haar verzoek heeft. Op zitting heeft het college erkend dat op grond van artikel 4 van Pro deze beleidsregeling voor woonfuncties geen vrijstelling geldt van de parkeereis voor fietsen. Dat betekent dat de parkeernormen van bijlage 2 van de beleidsregeling van toepassing zijn. Het college zal aan de hand van deze bijlage in bezwaar moeten bezien of er sprake is van een fietsparkeernorm voor dit bouwplan. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat het college en vergunninghoudster op zitting uitdrukkelijk hebben verklaard dat het beoogd gebruik van de verbouwing niet kamerbewoning is. Deze verklaringen worden ondersteund met de stukken die horen bij de omgevingsvergunning. De benedenwoning wordt uitgebreid met een woonlaag die wordt ingericht als slaapverdieping. Vergunninghoudster is naar de bovenwoning verhuisd en heeft het voornemen om de verbouwde benedenwoning als één woning te verhuren of te verkopen. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat het beoogde gebruik van de te verbouwen woonlaag anders is dan aangegeven. In bijlage 2 van de beleidsregeling is in het geval van uitbreiding van woonruimte, anders dan bij studentenhuizen, geen fietsparkeernorm opgenomen. Bovendien, ook al zou er een fietsparkeernorm gelden, dan zou het maximaal gaan om twee fietsparkeerplekken. De voorzieningenrechter vindt dit onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen dat het treffen van een voorlopige voorziening zou rechtvaardigen.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
6. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2025 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Artikel 5.1, eerste lid, onder a en artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet.