ECLI:NL:RBROT:2025:11540

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
C/10/707570 / HA RK 25-961
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking van rechters in civiele zaken afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen twee rechters die betrokken waren bij civiele zaken betreffende haar minderjarige kind. Het verzoek richtte zich op vermeende uitlatingen, gedragingen en beslissingen van de rechters.

De rechtbank oordeelde dat het wrakingsverzoek tegen één van de rechters niet ontvankelijk was omdat verzoekster geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die een schijn van vooringenomenheid konden rechtvaardigen. Ten aanzien van de andere rechter werd het verzoek afgewezen omdat het te laat was ingediend, ruim na de datum waarop de feitelijke grond voor wraking bekend was geworden.

De rechtbank benadrukte dat een wrakingsverzoek onmiddellijk na het bekend worden van de feiten moet worden ingediend, met slechts een korte beraadtermijn toegestaan. Verzoekster had dit niet gedaan en had ook geen geldige reden gegeven voor de vertraging. De wrakingskamer zag daarom geen aanleiding tot een mondelinge behandeling en verklaarde het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.

De beslissing werd genomen door een meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam en is niet vatbaar voor hoger beroep of andere rechtsmiddelen.

Uitkomst: Verzoekster is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek tegen de rechters wegens het ontbreken van feiten en omstandigheden en te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
Zaak- en rekestnummer: C/10/707570 / HA RK 25-961
Beslissing van 30 september 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat mr. P.L.G. Rens,
strekkende tot de wraking van
mrs. A.M.I. van der Doesen
K.T.F. Chocolaad-de Bos,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verzoek van verzoekster strekt kennelijk tot wraking van twee rechters in de civiele zaken met zaak- en rekestnummers C/10/699214 / JE RK 25-935, C/10/706650 / JE RK 25-1898 en C/10/706164 / JE RK 25-1839 (‘de hoofdzaken’). De hoofdzaken betreffen verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling, verlenging van de uithuisplaatsing en tot het verlenen van vervangende toestemming voor het inschrijven bij een onderwijsinstelling met betrekking tot het minderjarige kind van verzoekster.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 30 september 2025;
  • de schriftelijke reactie van de rechters van 30 september 2025.

2.De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.
Voor zover het wrakingsverzoek zich richt tegen mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos overweegt de wrakingskamer als volgt. Verzoekster noemt in het wrakingsverzoek enkel uitlatingen, gedragingen en beslissingen van mr. A.M.I. van der Does. Verzoekster heeft niet gesteld, laat staan uitgelegd dat mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos tegenover haar vooringenomen is of de objectief gerechtvaardigde schijn daarvoor heeft gewekt. In zoverre zijn aan het verzoek tot wraking dan ook geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd.
De wet schrijft voor dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek bekend zijn geworden en dat deze tegelijk moeten worden vermeld. Het wrakingsverzoek voldoet niet aan deze voorschriften. Om die reden kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Gezien het voorgaande wordt aan dat debat niet toegekomen.
2.2.
Voor zover het wrakingsverzoek zich richt tegen mr. A.M.I. van der Does overweegt de wrakingskamer als volgt. Aan de orde is de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoekster bekend waren geworden – zoals artikel 37 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereist.
2.3.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is. Verzoekster baseert haar wrakingsverzoek op uitlatingen, gedragingen en beslissingen van mr. A.M.I. van der Does van 24 juli 2025 en daarvóór. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan onmiddellijk nadat de feitelijke grond tot wraking bekend is geworden, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden, ook als in aanmerking wordt genomen dat verzoekster op 17 september 2025 een (overigens ongemotiveerd) verzoek om vervanging van de rechters heeft ingediend. Verzoekster heeft niet toegelicht waarom zij desondanks sinds 24 juli 2025 ongeveer twee maanden (en voor wat betreft de door haar in het wrakingsverzoek genoemde gedragingen van daarvoor: vele maanden) heeft laten verstrijken, voordat zij het wrakingsverzoek – overigens vlak voor de mondelinge behandeling in de hoofdzaken – heeft ingediend. Van verzoekster had mogen worden verwacht dat zij haar wrakingsverzoek binnen enkele dagen na 24 juli 2025 had ingediend óf had uitgelegd waarom dat niet van haar kon worden verwacht. Het verzoek is dus te laat gedaan.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat ook jegens mr. Van der Does geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Gezien het voorgaande wordt aan dat debat niet toegekomen.
2.4.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoekster kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verklaart verzoekster kennelijk niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de rechters Van der Does en Chocolaad-de Bos in de civiele zaken met zaak- en rekestnummer C/10/699214 / JE RK 25-935, C/10/706650 / JE RK 25-1898 en C/10/706164 / JE RK 25-1839.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, voorzitter, mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. J. van Dort, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en uitgesproken op 30 september 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.