In deze kortgedingprocedure vordert eiseres, de moeder, een locatieverbod voor haar gedetineerde zoon rondom de woning die zij huurt, met een verbod op het betreden van een straal van 100 meter gedurende één jaar. De vordering omvat ook dwangsommen en gijzeling bij overtreding.
De feiten betreffen onder meer een doorzoeking in de woning waarbij vuurwapens en drugs werden aangetroffen, en een lopende procedure tot ontruiming van de woning door de verhuurder. Gedaagde, de zoon, zit in voorlopige hechtenis en zijn strafzaak staat gepland.
De rechtbank overweegt dat een locatieverbod een zware inbreuk op het recht op vrije verplaatsing inhoudt en dat daarvoor een hoog aannemelijkheidscriterium geldt. De rechtbank stelt dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat gedaagde voorlopig gedetineerd blijft en er geen reële dreiging is dat hij zich binnen de termijn in de buurt van de woning zal begeven.
Daarnaast is er feitelijk geen geschil tussen partijen, aangezien afspraken mogelijk zijn om het contact te beperken. Het belang van eiseres bij het voorkomen van ontbinding van de huurovereenkomst is niet rechtens relevant in deze procedure. De vorderingen worden daarom afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.