Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:11342

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
25 september 2025
Zaaknummer
11555796 CV EXPL 25-3842
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:225 BWArt. 7:248 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand en ontruiming woning

In deze zaak vordert eiseres ontbinding van de huurovereenkomst met gedaagde wegens een aanzienlijke huurachterstand. Gedaagde huurt een woning met een maandelijkse huur van €640,96 en heeft een achterstand opgebouwd van €3.456,45. De kantonrechter oordeelt dat deze achterstand ernstig genoeg is voor ontbinding, mede omdat gedaagde de huur niet tijdig heeft voldaan ondanks erkenning van de schuld.

Eiseres erkent dat er drie jaar geleden een langdurige renovatie heeft plaatsgevonden, maar stelt dat gedaagde destijds compensatie heeft ontvangen en dat er geen sprake is van een gebrek dat rechtvaardigt dat de huur niet betaald wordt. Gedaagde heeft geen onderbouwing gegeven voor het opschorten van de huurbetaling.

De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst op grond van artikel 6:265 BW Pro en veroordeelt gedaagde tot betaling van de huurachterstand, incassokosten (€563,19), wettelijke rente, en een gebruiksvergoeding van €640,96 per maand tot de ontruiming. Gedaagde moet de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis ontruimen. De proceskosten van €1.336,45 komen eveneens voor rekening van gedaagde. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, incassokosten, rente, gebruiksvergoeding en ontruiming binnen veertien dagen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11555796 CV EXPL 25-3842
datum uitspraak: 19 september 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [plaats] ,
eiseres,
gemachtigden: [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] (gerechtsdeurwaarders)
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [plaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 18 februari 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de akte van [eiseres] , met bijlagen;
  • de ter zitting overgelegde specificatie.
1.2.
Op 21 augustus 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [naam 1] voor [eiseres] en [naam 2] werkzaam bij Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt een woning van [eiseres] . De huur is nu € 640,96 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. [eiseres] eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 3.456,45 betalen
2.2.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 3.456,45 aan [eiseres] te betalen. Dit is de huurachterstand op het moment van de zitting. De huur tot en met de maand augustus 2025 zit hier dus bij. De reden hiervoor is dat [gedaagde] eerder erkend heeft een huurachterstand te hebben. De nadere onderbouwing die [eiseres] ter zitting heeft gegeven, is bij afwezigheid van [gedaagde] niet weersproken.
2.3.
[eiseres] is ingegaan op wat [gedaagde] bij antwoord aangevoerd heeft. [eiseres] erkent dat drie jaar geleden een renovatie van de woning heeft plaatsgevonden die langer heeft geduurd dan gepland, maar stelt dat die langere duur kwam door de coronacrisis en dat [gedaagde] daar destijds financiële compensatie voor heeft gekregen en dat [gedaagde] toen ook heeft kunnen verblijven in een logeerwoning. Tevens erkent [eiseres] dat in de woning van [gedaagde] kleine herstellingen zijn verricht. Dat er sprake zou zijn van een gebrek aan de woning is echter betwist. Zonder nadere onderbouwing, die niet gegeven is, staat nu niet vast dat sprake is van een gebrek aan de woning, laat staan dat het gerechtvaardigd zou zijn om vanwege die reden de huur niet te betalen. Nergens blijkt ook uit dat [eiseres] in verband hiermee in gebreke is gesteld of dat om deze reden de betaling van de huur is opgeschort. Bij deze stand van zaken gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde] gehouden is geweest om de volledige huur te betalen, wat zij geruime tijd niet heeft gedaan. Daarom wordt genoemd bedrag toegewezen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.4.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW Pro). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. [1] Onderkend wordt dat sprake is van schuldenproblematiek, maar ondanks de inschakeling van schuldhulp is de situatie niet verbeterd. De achterstand is tijdens de procedure zelfs iets opgelopen. Onderkend wordt ook dat [gedaagde] in de woning verblijft met haar twee kinderen, waarvan de ene meerder- en de ander minderjarig is, maar die omstandigheid brengt niet met zich dat ontbinding in dit geval niet gerechtvaardigd is. Zonder informatie dat dit in dit geval anders is, kan ervan worden uitgegaan dat een inwonend meerderjarig kind een bijdrage zou kunnen leveren voor de betaling van huur, maar toch is er een forse achterstand.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.5.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al haar spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 640,96 per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro). [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW Pro) als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] moet incassokosten betalen
2.6.
De incassokosten van € 563,19 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
[gedaagde] moet rente betalen
2.7.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen de rente van € 44,35 die [eiseres] heeft berekend tot 12 februari 2025. Ook moet [gedaagde] de rente betalen over € 3.404,53 vanaf 12 februari 2025.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op
€ 145,45 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 542,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 271,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.336,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 4.063,99 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 3.404,53 vanaf 12 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan het [adres] ( [postcode] ) te [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege haar bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 september 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiseres] te betalen € 640,96 per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.336,45;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810