ECLI:NL:RBROT:2025:1114

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 januari 2025
Publicatiedatum
28 januari 2025
Zaaknummer
C/10/684775 / HA RK 24-789
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • P.A.M. Laan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 642c lid 5 RvArt. 642c lid 6 RvArt. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging termijn voor het stellen van een beperkingsfonds in zaak Geroma

In deze zaak oordeelt de rechtbank Rotterdam over een verzoek tot verlenging van de termijn voor het stellen van een beperkingsfonds door verzoekers, waaronder Scheepvaartbedrijf Maroma B.V. en E.O.C. Onderlinge Schepenverzekering U.A. De rechtbank verwijst naar een eerdere beschikking van 24 december 2024 waarin werd bepaald dat het fonds uiterlijk op 22 januari 2025 moest worden gesteld.

Verzoekers hebben op 21 januari 2025 een kopie van een garantie conform het Rotterdams Garantieformulier Limitatie 2020 (RGFL 2020) ingediend, maar kunnen het originele document pas rond 31 januari 2025 aanleveren vanwege het verblijf van een bestuurder in het buitenland. Daarom verzoeken zij om een hernieuwd bevel tot het stellen van het fonds.

De rechtbank acht dit verzoek gegrond omdat de kopie van de garantie tijdig en inhoudelijk volstaat en verwacht wordt dat het originele document spoedig wordt ingediend. Daarom wordt de termijn verlengd tot 6 februari 2025. Alle overige onderdelen van de eerdere beschikking blijven van kracht. De aansprakelijkheid wordt voorlopig beperkt tot SDR 818.891,60, omgezet naar euro’s volgens de IMF-koers op de dag van het stellen van het fonds, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.

Uitkomst: De termijn voor het stellen van het beperkingsfonds wordt verlengd tot 6 februari 2025 met behoud van eerdere voorwaarden.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
motorschip “Geroma” (zakenfonds)
zaaknummer / rekestnummer: C/10/684775 / HA RK 24-789
Beschikking van 22 januari 2025
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SCHEEPVAARTBEDRIJF MAROMA B.V.,
gevestigd te Papendrecht,
2.
[verzoeker sub 2],
wonende te Papendrecht,
3. de onderlinge waarborgmaatschappij
E.O.C. ONDERLINGE SCHEPENVERZEKERING U.A.,
gevestigd te Meppel,
verzoekers,
advocaat mr. P.E. van Dam te Zwolle.
Verzoekers worden hierna voor zover nodig afzonderlijk genoemd Maroma, [verzoeker sub 2] en EOC.

1.De beoordeling

1.1.
De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 24 december 2024, waarin onder meer is bepaald dat verzoekers uiterlijk op 22 januari 2025 een beperkingsfonds dienen te stellen door storting in de consignatiekas, of door het stellen van een garantie conform het Rotterdams Garantieformulier Limitatie 2020 (RGFL 2020).
1.2.
De rechtbank heeft op 21 januari 2025 van verzoekers bericht ontvangen met een kopie van een garantie conform het RGFL 2020. Vanwege buitenlands verblijf van één van de bestuurders van EOC kan op zijn vroegst omstreeks 31 januari 2025 een originele, hernieuwd ondertekende garantie aan de rechtbank worden aangeboden. Verzoekers verzoeken de rechtbank daarom om een hernieuwd bevel tot het stellen van fonds te geven op een door de rechtbank te bepalen dag op grond van artikel 642c lid 6 Rv.
1.3.
Gelet op de reeds toegezonden kopie van een tijdige en inhoudelijk volstaande garantie – waarvan het origineel echter nog niet kan worden aangeboden - en met de toezending van originele, hernieuwd ondertekende garantie in het vooruitzicht, ziet de rechtbank aanleiding om de onder 1.1 genoemde termijn met twee weken te verlengen en aldus opnieuw vast te stellen met als laatste dag 6 februari 2025. De rechtbank zal daartoe aan verzoekers een hernieuwd bevel tot het stellen van een beperkingsfonds geven, zoals bedoeld in de tweede zin van artikel 642c lid 6 Rv.
1.4.
Alle overige onderdelen van de beschikking van 24 december 2024 blijven onverminderd van kracht.
1.5.
Ingevolge artikel 642c lid 5 Rv is deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

2.De beslissing

2.1.
bepaalt onder verwijzing naar de beschikking van 24 december 2024 het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van verzoekers voorshands is beperkt op SDR 818.891,60, om te rekenen in euro’s naar de koers van de dag van het stellen van het fonds volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover te berekenen vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, derhalve 22 februari 2023, tot de dag volgende op de dag van het stellen van het fonds;
2.2.
bepaalt dat verzoekers uiterlijk op
6 februari 2025fonds moeten stellen voor het beloop van het in 2.1 genoemde bedrag aan hoofdsom en rente, in het geval dat een garantie wordt gesteld nog te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de aanvang van de dag volgende op de dag van deze zekerheidsstelling tot de datum van daadwerkelijke en volledige betaling onder die garantie, en bij zowel storting in de consignatiekas als bij het stellen van een garantie het fondsbedrag nog te vermeerderen met € 7.500,00 ter bestrijding van de kosten van de procedure.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.A.M. Laan en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.
[3718/1885]