ECLI:NL:RBROT:2025:11006

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 september 2025
Publicatiedatum
16 september 2025
Zaaknummer
11454708 CV EXPL 24-32151
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BWArt. 6:2 BWArt. 6:119 BWArt. 139 RvArt. 140 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering onverschuldigde betalingen na bankfraude

Eiser is telefonisch benaderd door een fraudeur die zich voordeed als bankmedewerker. De fraudeur kreeg toegang tot de computer van eiser en verkreeg codes, waardoor grote bedragen van de bankrekening van eiser werden overgemaakt naar rekeningen van gedaagden.

Eiser vordert terugbetaling van deze bedragen op grond van onverschuldigde betaling. Gedaagde 1 voert verweer dat zijn rekening zonder zijn medeweten is misbruikt, omdat zijn pinpas was gestolen en het geld direct door een derde is opgenomen. Hij stelt dat toewijzing van de vordering onaanvaardbaar is op grond van redelijkheid en billijkheid.

De kantonrechter wijst de vordering toe. Er is zonder rechtsgrond betaald en gedaagde 1 had maatregelen moeten nemen om misbruik te voorkomen. De overige gedaagden verschijnen niet en worden bij verstek veroordeeld. Tevens wordt rente en proceskosten toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot terugbetaling van onverschuldigde bedragen met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11454708 CV EXPL 24-32151
datum uitspraak: 12 september 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] B.V,
vestigingsplaats: [plaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. J. Thiele,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

woonplaats: [plaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.R. Mantz,
en

2.2. [naam 1] , handelend onder de naam [gedaagde 2] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,
3. [naam 2]handelend onder de naam
[gedaagde 3] ,
briefadres: [plaats 3] ,
4. [gedaagde 4],
vestigingsplaats: [plaats 4]
5. [naam 3]handelend onder de naam
[gedaagde 5],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagden,
die niet zijn verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’, ‘ [gedaagde 3] ’, ‘ [gedaagde 4] ’ en ‘ [gedaagde 5] ’ genoemd. Gedaagden sub 1 tot en met 5 worden gezamenlijk ‘gedaagden’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 21 november 2024, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlage.
1.2.
Op 3 juli 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • [eiseres] met zijn gemachtigde;
  • [gedaagde 1] was aanwezig met zijn gemachtigde, mevrouw [naam 4] en mevrouw [naam 5] (beiden begeleidster bij het Leger des Heils) en mevrouw [naam 6] (partner).
1.3.
Tegen gedaagden sub 2 tot en met 5 wordt verstek verleend (artikel 139 Rv Pro). Dat brengt mee dat op grond van artikel 140 lid 3 Rv Pro één vonnis wordt gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

2.De beoordeling

Wat is er gebeurd?
2.1.
[eiseres] is op 12 juni 2024 gebeld door een fraudeur die zich voordeed als medewerker van de bank. De fraudeur heeft [eiseres] telefonisch overgehaald om hem toegang te geven tot zijn computer. Vervolgens heeft deze fraudeur [eiseres] ook overgehaald om codes met hem te delen, waardoor de fraudeur grote bedragen van zijn bankrekening kon wegboeken naar andere bankrekeningen, waaronder de bankrekeningen van gedaagden.
2.2.
[eiseres] eist terugbetaling het geld dat is overgemaakt naar de rekeningen van gedaagden. [eiseres] heeft ter zitting de primaire grondslag van zijn vordering (onrechtmatige daad) ingetrokken, zodat die buiten beschouwing zal worden gelaten. Ook heeft [eiseres] de eis tot vergoeding van beslagkosten tijdens de zitting ingetrokken.
2.3.
[eiseres] eist op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW Pro) betaling van de navolgende bedragen, met rente en kosten:
  • € 4.876,12 van [gedaagde 1] ;
  • € 5.933,24 van [gedaagde 2] ;
  • € 25.000,00 van [gedaagde 3] ;
  • € 9.849,87 van [gedaagde 4] B.V;
  • € 25.000,00 van [gedaagde 5] .
[eiseres] heeft haar vorderingen op [gedaagde 3] en [gedaagde 5] beperkt tot de genoemde bedragen van € 25.000,00 en heeft afstand gedaan van het meerdere.
2.4.
[gedaagde 1] voert verweer. Hij stelt – kort samengevat - dat het geld weliswaar op zijn rekening heeft gestaan, maar dat hij nooit de feitelijke beschikking over het geld had. Een (voor hem) onbekende persoon heeft buiten zijn weten zijn bankrekening misbruikt voor de ontvangst van het geld van [eiseres] . De pinpas van [gedaagde 1] is gestolen en het geld is, kort nadat het op zijn rekening gestort was, opgenomen door een derde. Van deze feiten kreeg [gedaagde 1] pas achteraf weet, toen hij door de bank gebeld werd. [gedaagde 1] voert aan met de fraude niets te maken te hebben. Zijn bankrekening is slechts als tussenstation gebruikt. Om deze redenen stelt [gedaagde 1] dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat de vordering wordt toegewezen.
[gedaagde 1] moet € 4.876,12 betalen
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] € 4.876,12 onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagde 1] en dat hij dit bedrag moet terugbetalen. Dit betekent dat de kantonrechter de vordering tegen [gedaagde 1] toewijst. De kantonrechter legt hierna uit waarom.
2.6.
Als iemand zonder rechtsgrond een geldbedrag aan iemand anders heeft betaald, dan heeft degene die betaald heeft in principe recht op terugbetaling van datzelfde bedrag (artikel 6:203 leden Pro 1 en 2 BW). Vaststaat dat er zonder rechtsgrond € 4.876,12 van de bankrekening van [eiseres] naar die van [gedaagde 1] is overgemaakt. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 6:203 lid 1 BW Pro en moet [gedaagde 1] dat bedrag in principe als onverschuldigd betaald terugbetalen.
2.7.
[gedaagde 1] stelt dat het bedrag niet aan hem ten goede is gekomen, omdat zijn pinpas was gestolen en het bedrag direct door een derde is opgenomen. Hij ziet zichzelf als (mede)slachtoffer. De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde 1] zo, dat hij meent dat toewijzing van de vordering in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:2 lid 2 BW Pro).
2.8.
Het beroep van [gedaagde 1] op de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. Van [gedaagde 1] mocht worden verwacht dat hij zijn pinpas zorgvuldig zou bewaren en dat hij maatregelen zou nemen om te voorkomen dat zijn pincode in handen van (kwaadwillende) derden zou komen. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat hij zijn pinpas thuis bewaarde en slechts een keer per twee weken gebruikte; daardoor zou hij niet hebben gemerkt dat de pinpas ontvreemd was. Als mogelijke verklaring voor het feit dat de derden zijn pincode kenden heeft hij geopperd dat die derden mogelijk hebben meegekeken toen hij de pinpas gebruikte. De kantonrechter is echter van oordeel dat hij regelmatiger had kunnen en moeten controleren of hij zijn pinpas nog steeds in bezit had, zodat hij die zo nodig tijdig had kunnen blokkeren. Ook had hij kunnen en moeten voorkomen dat er meegekeken zou worden terwijl hij zijn pincode intoetste. Bovendien had hij een veel lagere limiet op zijn pinpas kunnen instellen, om zo het gevaar van misbruik te beperken. [gedaagde 1] heeft dat allemaal niet gedaan. De gevolgen van dat nalaten kunnen dan ook niet voor rekening van [eiseres] komen.
Gedaagden sub 2 tot en met 5 moeten terugbetalen
2.9.
Gedaagden sub 2 tot en met sub 5 zijn niet verschenen. Omdat de vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zullen zij worden veroordeeld tot betaling van de hierboven bij 2.3 genoemde bedragen (artikel 139 Rv Pro).
Gedaagden moeten rente betalen
2.10.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en gedaagden dat niet hebben betwist.
Gedaagden moeten de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen hoofdelijk, voor rekening van gedaagden, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die gedaagden aan [eiseres] moet betalen op € 577,93 aan dagvaardingskosten, € 1.409,00 aan griffierecht, € 1.630,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 815,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 3.751,93. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde 1] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres] te betalen € 4.876,12 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 12 juni 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiseres] te betalen € 5.933,24 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 12 juni 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde 3] om aan [eiseres] te betalen € 25.000,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 12 juni 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
veroordeelt [gedaagde 4] om aan [eiseres] te betalen € 9.849,87 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 12 juni 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
veroordeelt [gedaagde 5] om aan [eiseres] te betalen € 25.000,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 12 juni 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.6.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 3.751,93;
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
62574